Arie Rip

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Arie Rip
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 13 juni 1941
Geboorteplaats Kethel en Spaland
Nationaliteit Nederlandse
Werkzaamheden
Vakgebied Filosofie/sociologie wetenschap en technologie
Universiteit Universiteit Twente
Promotor prof. dr. C.J.F. Böttcher
Soort hoogleraar emeritus hoogleraar
Bekende werken 'Constructive Technology Assessment'
Overig
Website
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Arie Rip (Kethel en Spaland, 13 juni 1941) is een Nederlandse emeritus hoogleraar 'Filosofie van Wetenschap en Techniek'.

Loopbaan[bewerken]

Na zijn studies scheikunde en filosofie werd Rip aangesteld als medewerker aan de Universiteit Leiden, waar hij verantwoordelijk werd voor het vakgebied ‘Wetenschap & Samenleving’. Dit vak werd destijds aan natuurwetenschappelijke opleidingen ingevoerd, onder meer om studenten in aanraking te brengen met vraagstukken van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Hij promoveerde in dit vakgebied en werkte vervolgens aan verschillende universiteiten. Van 1987 tot aan zijn emeritaat was hij verbonden aan de Universiteit Twente als hoogleraar op het gebied van wetenschap- en techniekstudies. In 2006 nam Rip formeel afscheid als hoogleraar, maar vervolgde zijn activiteiten als redacteur, projectleider en hoogleraar, met name op het gebied van nieuw opkomende technologie, zoals nanotechnologie.[1][2]

Bijdragen[bewerken]

Rip heeft een belangrijke rol gespeeld in de vormgeving van het vakgebied wetenschap- en techniekstudies, inhoudelijk en institutioneel. Zo was hij van 1988 tot 1989 president van de internationale Society for Social Studies of Science. Daarnaast was hij van 2000 tot 2005 hoofd van de Nederlandse onderzoeksschool voor Wetenschap, Techniek en Moderne Cultuur (WTMC). WTMC is als zogenoemde 'graduate school' een samenwerkingsverband tussen Nederlandse onderzoekersinstituten die de ontwikkeling van wetenschap, technologie en de samenhang daarvan met de moderne cultuur bestuderen.[3]

Rip heeft veel gepubliceerd op verschillende terreinen binnen de vakgebieden filosofie, geschiedenis en sociologie van wetenschap en techniek en binnen de innovatiestudies.[4] Een van de terreinen waarop Rip actief was betrof Technology Assessment. Hij introduceerde de methode ´Constructive Technology Assessment (CTA)', om samen met betrokkenen de betekenis en voor- en nadelen van een technologie te beoordelen.[5] Hij bekleedde naast de reeds genoemde nog verschillende andere functies, zoals hoogleraar aan de University of Stellenbosch in Zuid-Afrika en voorzitter van de Society for the Study of Nanoscience and Emerging Technologies (S-NET) in 2008.[6]

Belangrijkste publicaties[bewerken]

  • Arie Rip (1981) Maatschappelijke Verantwoordelijkheid van Chemici, Dissertatie Leiden University, Leiden
  • John Law, Michel Callon, Arie Rip (1986), Mapping the Dynamics of Science and Technology: Sociology of Science in the Real World, Macmillan, Basingstoke, ISBN 978-0-333-37223-4
  • Arie Rip (1994) The republic of science in the 1990s, Higher Education, Vol. 28, pp. 3–23
  • Arie Rip, Thomas Misa en Johan Schot (eds.) (1995) Managing Technology in Society: The Approach of Constructive Technology Assessment, Pinter, London/New York. ISBN 1-85567-340-1
  • Johan Schot en Arie Rip (1996) The past and future of constructive technology assessment, Technological Forecasting and Social Change, Vol 54, pp. 251–268
  • Arie Rip (1997) A cognitive approach to the relevance of science, Social Science Information, Vol. 36 (4), pp. 615–640
  • Harro van Lente en Arie Rip (1998) The rise of membrane technology: from rhetorics to social reality, Social Studies of Science, Vol. 28 (2), pp. 221–254
  • René Kemp, Arie Rip en Johan Schot (2001) Constructing transition paths through the management of niches, In: Garud, R., Karnoe, P. (Eds.), Path Dependence and Creation, pp. 269–302
  • Arie Rip (2002) Science for the 21st century. In: Tindemans, P., Alex Verrijn Stuart|Verrijn-Stuart, A., Visser, R. (Eds.), The Future of Science and the Humanities, Amsterdam University Press, Amsterdam, pp 99–148