Pantserinfanterievoertuig

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Armoured personnel carrier)
Ga naar: navigatie, zoeken
Een ambulance-APC met gewonden in Fallujah, Irak, 12 november 2004

Een pantserinfanterievoertuig of gepantserd infanterietransportvoertuig is een licht bepantserd gevechtsvoertuig voor het transport van infanterietroepen. Een machinegeweer is meestal de enige bewapening aan boord aangezien dit type voertuig niet als taak heeft om in de vuurlinie te vechten. Dit onderscheidt de pantserinfanterievoertuig van het infanteriegevechtsvoertuig. Zijn functie is om snel manschappen van en naar het slagveld te transporteren of om patrouilles mee uit tevoeren. Het biedt de inzittenden bescherming tegen rondvliegende granaatscherven of eventuele hinderlagen. Een gepantserd infanterievoertuig kan zowel rupsen als wielen hebben. Er wordt dat gesproken van een pantserrupsvoertuig respectievelijk een pantserwielvoertuig. In Angelsaksische landen spreekt men van een armoured personnel carrier of kortweg APC.

Ontwikkeling[bewerken]

Een Britse Mark IX

Het eerste pantserinfanterievoertuig uit de geschiedenis was de Britse Mark IX uit 1918. Na de Eerste Wereldoorlog werd de ontwikkeling van zulke pantservoertuigen geheel verwaarloosd. Men had al moeite genoeg om een klein deel van de infanterie met vrachtwagens uit te rusten. In het begin van de Tweede Wereldoorlog gingen de Duitsers op kleine schaal over tot de introductie van voorheen ongepantserde half-tracks in een gepantserde versie bij geselecteerde infanterieafdelingen van de pantserdivisies in te voeren. Dit voorbeeld werd op grotere schaal nagevolgd door de Amerikanen, die hun M2/M3 half-track ook in grote aantallen aan hun bondgenoten leverden.

Na de oorlog werden deze half-tracks eerst algemeen gebruikt door de westerse landen. In de jaren vijftig werden hun legers volledig gemechaniseerd en dus van "volrupsvoertuigen" voorzien. Het bekendste voorbeeld hiervan is de Amerikaanse M113 uit de jaren zestig, het meest gebouwde westerse pantserrupsvoertuig. Het chassis van dergelijke voertuigen werd omwille van de standaardisering gebruikt voor alle mogelijke functies: mortierdrager, mortiertrekker, commandovoertuig, radarvoertuig, luchtafweervoertuig, antitankvoertuig, verkenningsvoertuig, ambulance etc. De naam van ieder pantserinfanterievoertuig staat dus meteen voor een hele familie van varianten. De Sovjet-Unie deed eerst maar in beperkte mate mee met deze ontwikkeling. Lange tijd bleef daar de tactiek in zwang om een sectie bereden infanterie op een tank te laten meerijden. Dat veranderde pas toen deze supermogendheid overging tot verdere ontwikkeling tot een zwaarder bewapend infanteriegevechtsvoertuig zoals de BMP-3, dat in massa geproduceerd werd.

Koninklijke landmacht[bewerken]

Boxer

Bij de Koninklijke Landmacht in Nederland zijn sinds de tweede wereldoorlog de volgend typen bij de infanterie in gebruik geweest:

Vanaf het begin van de jaren zestig wijzigde de indeling van de manoeuvre-eenheden.[1] De NAVO wilde de eenheden mechaniseren die een directe confrontatie zouden aangaan met de Russische vijand, d.w.z. voorzien van gepantserde rupsvoertuigen. Hiervoor werd door Nederland de Franse AMX aangeschaft. Eenheden met een meer defensieve taak werden vooralsnog uitgerust met het DAF YP-408 pantserwielvoertuig. Ook het personeels- en uitrustingsvervoer ten behoeve van de genietroepen diende te worden verzorgd. En niet te vergeten het verkenningscomponent commandovoering, troepentransport voor de Genie-eenheden en Vanaf eind jaren tachtig werden de AMX en YP-408 vervangen door één nieuw voertuig, de YPR-765. Men wilde, naast standaardisatie, bereiken dat de infanterie de manoeuvre-eenheden beter konden bijhouden in het gevecht. Hiermee verdwenen de pantserwielvoertuigen even bij de infanterie.[2] Aan het eind van de Koude Oorlog in de jaren negentig verschoof het accent van de krijgsmacht naar vredesmissies en crisisbeheersing. Voor het uitvoeren van deze taak werden rupsvoertuigen soms te agressief geacht. Daarom werd er een aantal Patria wielvoertuigen aangeschaft, bedoeld voor patrouilles. Na negatieve ervaringen in het voormalige Joegoslavië (Srebrenica) en missies in het Midden-Oosten (bermbommen) is men daar van teruggekomen. De mogelijkheid van robuust optreden en goede bescherming van het personeel bleek noodzakelijk. Na grote reorganisaties van de Landmacht sinds 2000 is de infanterie gereduceerd tot 3 brigades. Alleen 13 Lichte Brigade is uitgerust met gepantserde infanterievoertuigen van het type Boxer en Bushmaster. 43 Gemechaniseerde Brigade heeft het zwaardere infanteriegevechtsvoertuig CV90 in de bewapening. 11 Luchtmobiele Brigade beschikt niet over pantservoertuigen.