Aschwin zur Lippe-Biesterfeld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aschwin zur Lippe-Biesterfeld (1961)
Bernhard en Aschwin nemen afscheid (1966)

Ernst Aschwin Georg Carol Heinrich Ignatz (Erwin) Prinz zur Lippe-Biesterfeld (Jena, 13 juni 1914's-Gravenhage, 14 mei 1988) was een kenner van de Chinese schilderkunst en Indiase beeldhouwkunst en conservator van het Metropolitan Museum of Art in New York. Hij was een jongere broer van prins Bernhard in het adellijke geslacht Lippe-Biesterfeld.

Biografie[bewerken]

Aschwin werd geboren als Graf von Biesterfeld. Hij was de tweede zoon uit het morganatische huwelijk van prins Bernhard van Lippe (1872-1934, tot 1905 Graf und Edler Herr zur Lippe-Biesterfeld), een jongere broer van de laatste regerende vorst van Lippe, Leopold IV, en Armgard Gräfin von Biesterfeld, geboren von Cramm (1883-1971). Hij was vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde, Aschwin von Sierstorpff-Cramm. Zijn roepnaam was Erwin, naar de eerste twee letters van zijn eerste voornaam Ernst en de laatste lettergreep van zijn tweede voornaam Aschwin.[1]

In 1916 werd zijn moeder met haar zonen door vorst Leopold IV van Lippe verheven tot Prinzessin (Prinz) zur Lippe-Biesterfeld met het predicaat Durchlaucht (= Doorluchtige Hoogheid). Bij datzelfde decreet werd door de vorst bepaald dat de zonen opvolgingsrechten kregen op de troon van Lippe, weliswaar na alle andere Lippe-Biesterfelds, maar voor de leden van de tak Lippe-Weissenfeld.[2]

Hij groeide op met zijn oudere broer Bernhard. De jeugdjaren op het landgoed van hun ouders, Gut Reckenwalde in het dorp Woynowo (van 1934-1945 tevens Reckenwalde i.d. Grenzmark), nabij de stad Bomst in de provincie Posen, later Grensmark Posen-West-Pruisen, verliepen gemoedelijk. Toen Adolf Hitler aan de macht kwam, sprak Aschwin openlijk zijn steun aan de nazi's uit.[3] Vervolgens werd hij officier in de Wehrmacht. Toen zijn broer zich in mei 1940, vlak na de inval van nazi-Duitsland in Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk, bijzonder negatief over nazi-Duitsland en Hitler uitliet, werd Aschwin uit het leger gezet.

Het wetenschappelijk werk liet hem niet los en in november 1942 promoveerde hij aan de Berlijnse Friedrich-Wilhelms-Universität op een studie naar de dertiende-eeuwse Chinese schilder Li Kan. Hierna werkte hij bij de afdeling Chinese schilderkunst van het Museum für Ostasiatische Kunst. In 1945 verliet hij Duitsland en in 1949 vestigde hij zich in New York als wetenschappelijk medewerker aan de afdeling Verre Oosten van het Metropolitan Museum of Art. Tot zijn pensionering in 1973 bleef hij hier werkzaam. Hij publiceerde regelmatig over Chinese schilderkunst en vanaf de jaren zestig ook over boeddhistische beeldhouwkunst van Zuid- en Zuidoost-Azië. Deze publicaties verschenen onder de naam Aschwin Lippe.

Op 11 september 1951 trad hij op 37-jarige leeftijd in Londen in het huwelijk met de één jaar jongere Française Simone Arnoux. Het huwelijk bleef kinderloos. Arnoux had twee kinderen uit een eerder huwelijk met Vollrat Gottfried Adam von Watzdorf.

Nadat op 11 oktober 1969 prins Constantijn werd geboren, werd prins Aschwin een van diens peetooms.

Lippe-Biesterfeld leed aan de ziekte van Parkinson en werd door zijn broer Bernhard naar Nederland gehaald. Hij overleed op 73-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Den Haag.

Lippe-Biesterfeld is begraven op begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag.

Schilderij van Li Kan, onderwerp van Aschwin zur Lippe-Biesterfelds dissertatie.
Prins Aschwin en zijn echtgenote Simone Arnoux in 1966

Selectieve bibliografie[bewerken]

  • Ernst Aschwin, Prinz zur Lippe-Biesterfeld, 'Li K'an und seine "Ausführliche Beschreibung des Bambus": Beiträge zur Bambusmalerei der Yüan-Zeit', Ostasiatische Zeitschrift, Neue Folge 4 (1942/43), pp. ??-??.
  • 'A Gift of Chinese Bronzes', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 9 (dec 1950), pp. 97-107.
  • 'Enjoying the Moon', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 9 (mei 1951), pp. 230-235.
  • 'A Christian Chinese Painter', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 11 (dec 1952), pp. 123-128.
  • 'The Waterfall', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 12 (nov. 1953), pp. 60-67.
  • 'The Hidden Treasures of China: A Visit to Formosa', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 14 (okt 1955), pp. 54-60.
  • 'Kung Hsien and the Nanking School', Oriental Art, New Series 2 (1956), pp. 21-9 en 4 (1958), pp. 159-70.
  • 'The Edwin C. Vogel Collection of Chinese Porcelain', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 16 (jan 1958), pp. 163-168
  • 'The Sculpture of Greater India', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 18 (feb 1960), pp. 177-192.
  • 'A Dvaravati Bronze Buddha from Thailand', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 19 (jan 1961), pp. 125-132.
  • 'A Digression into Natural History', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 20 (zomer 1961), pp. 25-27.
  • 'Ch'en Hsien, Painter of Lohans', Ars Orientalis 5 (1963), pp. 255-258.
  • 'Buddha and the Holy Multitude', The Metropolitan Museum of Art Bulletin, New Series 23 (mei 1965), pp. 325-335.
  • 'Some Sculptural Motifs on Early Cālukya Temples', Artibus Asiae 29 (1967), pp. 5-24.
  • The Freer Indian sculptures, Washington 1970.
  • 'Divine Images in Stone and Bronze: South India, Chola Dynasty (c. 850-1280)', Metropolitan Museum Journal 4 (1971), pp. 29-79.
  • 'Early Chālukya Icons', Artibus Asiae 34 (1972), pp. 273-330.
  • 'Some South Indian Icons', Artibus Asiae 37 (1975), pp. 169-208.

Externe links[bewerken]