Beelddenken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beelddenken is een theorie die wetenschappers hanteren voor het denken, het herinneren, het vooruitdenken en het leren in beelden. Het wordt ook wel het 'visueel leersysteem' genoemd. Internationaal worden de volgende begrippen gehanteerd: 'visuospatial memory', 'visuospatial thinking' en 'visuospatial learning'. Onderzoeken op dit terrein zijn gepubliceerd door onder andere Sternberg, Zhang, Silvermann en Murre. Beelddenken is een alledaags, gangbaar begrip – het wordt gebruikt door gespecialiseerde psychologen, neuropsychologen, orthopedagogen, onderwijzers en andere wetenschappers die betrokken zijn bij onderzoek naar dit denkproces.

Oorsprong[bewerken]

In het Nederlandse taalgebied is het begrip geïntroduceerd door de logopedist Maria Krabbe in 1951. Zij werkte met kinderen met leerproblemen, zoals dyslexie, stotteren en schrijfproblemen. Deze kinderen bleken volgens haar te denken in beelden en zij noemde hen beelddenkers. Haar theorie is dat het lezen van woorden bij deze mensen eerst in beelden omgezet zal worden, en ook het uitleggen van de eigen denkbeelden in taal zal veelal een beknopte uitleg zijn. Nel Ojemann[1] heeft beelddenken in 1987 nader beschreven als "een vorm van denken die iedereen gebruikt zolang men jong is". Volgens Ojemann gaat het om denken in beelden en handelingen, een beweeglijk omgaan met de werkelijkheid, dat de meeste mensen rond hun vijfde, zesde jaar loslaten ten gunste van het begripsdenken of woorddenken. Beelddenkers laten dit volgens haar echter niet los en maken er juist gebruik van.

Beschrijving van de theorie[bewerken]

Beelddenken plaatst zichzelf tegenover taaldenken of woorddenken, een vorm van denken in taal, maar ook tegenover begripsdenken en abstractie. Andere gebruikte benamingen zijn divergerend denken, visueel ingesteld zijn, analoog denken of ruimtelijk denken. Beelddenkers zijn volgens de theorie mensen van wie wordt verondersteld dat zij voornamelijk en primair in beelden denken. Dat wil zeggen dat nieuwe informatie in beeld wordt opgeslagen en verwerkt. Dit zou gebeuren in de rechterhersenhelft, uitgaande van de aanname dat hoe dominanter de rechterhersenhelft is, des te meer een persoon in beelden denkt. Beelddenkers zouden 'empirisch ingesteld' zijn.

Begripsdenkers (woordelijk redenerende denkers) maken volgens de theorie meer gebruik van het bewust denken (bewuste gedachtegangen) en beelddenkers maken meer gebruik van intuïtief denken via het onbewuste. Het onbewuste verwerkt, en maakt (voor)bewust, met veel grotere snelheid dan het bewuste denken. 'Beelden, gevoelens, bewegingen, verhoudingen en eerdere ervaringen' kunnen dan achtereenvolgens door het hoofd flitsen (al dan niet met woorden gepaard). Veelal zijn het gedachtegangen die onderdeel zijn van een geheel en als zodanig de 'beelden' ondersteunen (onderbouwing). Dat alles gebeurt binnen honderdsten van seconden (door het onbewuste). Doordat het bewuste minder wordt gebruikt, kan het ook eerder overbelast raken. Er kan dan behoefte aan een rustmoment ontstaan, waarin vaak voor zich uit gestaard wordt en er achtereenvolgens allerlei waarnemingen tot het bewuste komen, die worden verwerkt binnen het eigen denkbeeld. Beelddenken kan ook begrijpend denken (niet te verwarren met begripsdenken) genoemd worden, waarbij alle denkbeelden worden begrepen ('zo is het') of juist niet. De denkbeelden passen dan wél, of juist niet in het denkbeeld (perspectief) als geheel. Vanwege die begrijpende manier van denken kan iemand zeer stellig zijn. In een discussie tussen een woorddenker en een beelddenker treedt vaak onderling onbegrip op. Veelal is er bij beelddenken ook sprake van een fotografisch geheugen. Zo kunnen vanuit het niets 'antwoorden' (conclusies) opkomen op vragen waar al eerder over is nagedacht. Als zulke antwoorden zich spontaan aandienen zonder dat hij daar bewust naartoe heeft gewerkt, kan een beelddenker conclusiegericht reageren.

Ook maakt het grote 'ruimtelijk inzicht' het mogelijk om al lopend (door straten), een 'plattegrond' voor zich te zien (van boven). Zelfs kunnen beelden twee- of driedimensionaal zijn, bijvoorbeeld de binnenkant van een woning, ook als ze nog gebouwd moet worden (architect, aannemer, timmerman). Ook in het academisch denken is ruimte voor de 'beelddenker'. Van Albert Einstein is bekend dat hij een grote mate van visueel ruimtelijk inzicht had. Een beelddenker kan een rijke verbeelding hebben, waardoor deze sneller, associatief en divergent (een snelle manier van verbanden leggen) tot inzichten kan komen.

Er zijn onderzoekers die menen dat veel beelddenkers mensen met autisme, syndroom van Asperger en ADHD zijn; dat hoeft zeker niet het geval te zijn. Veel hoogbegaafden en getalenteerden hebben bijvoorbeeld een voorkeur voor beelddenken. Hierdoor kunnen door niet-gespecialiseerde psychologen misdiagnoses opgesteld worden, met alle gevolgen van dien. De beelddenker zou een samenwerking van het snelle beelddenken en de zintuigen hebben, waardoor ze bijvoorbeeld verfijnd en méér waarnemen. Een beelddenker ziet in het hoofd ongeveer 32 beelden per seconde, wat niet lukt met 'het bewuste waarnemen', maar alleen door middel van het onderbewustzijn.[2] Een woorddenker denkt in twee woorden per seconde.

Vanwege de onbekendheid van het beelddenken in Nederland en België is er nog veel onbegrip in het onderwijs. Toch komt er steeds meer bekendheid, omdat het beelddenken herkenbaar is. Daar waar de begripsdenker of woorddenker in stapjes van gemakkelijk naar moeilijk leert, leert een beelddenker vanuit een 'totaalbeeld'. De beelddenker heeft een helikopterview en begripsdenkers denken in details. Veel beelddenkende kinderen hebben baat bij top-down-onderwijs. Top-down-onderwijs is onderwijs dat letterlijk het tegenovergestelde is van bottom-up. Bottom-up-onderwijs is de 'normale' manier van lesgeven in het reguliere onderwijs. Regulier onderwijs kenmerkt zich door kleine stapjes, waarmee naar een begrip toe gewerkt wordt – bij top-down-onderwijs wordt het begrip door middel van overzichten en samenvattingen als eerste gegeven.

In Nederland organiseert het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO al jaren congressen over beelddenken. In opdracht van het Nederlandse ministerie van OCW (onderwijs) heeft het SLO een kernleerplan opgesteld. 'Dit kernleerplan bevat een richtinggevend kader om bestaande onderwijsmaterialen en -werkvormen te beoordelen en nieuwe te ontwikkelen', bron: SLO. Op deze congressen worden beelddenk-experts uit binnen en buitenland uitgenodigd, om het beelddenken een grotere bekendheid onder leraren te geven.[3]

Toch verloopt de bewustwording traag, omdat op lerarenopleidingen niet of nauwelijks aandacht is voor beelddenken. In Nederland en België zijn de leraren verantwoordelijk voor onderwijs aan kinderen. De meeste leraren zijn niet in staat een beelddenkend kind te herkennen. Daardoor kan het kind de erkenning missen dat het op een andere manier denkt en dus een andere onderwijsvorm nodig heeft die aansluit op zijn/haar manier van denken ('top-down'). De reguliere manier van lesgeven is eenduidig en gericht op kinderen die in woorden denken (of een algemenere manier van auditief sequentieel denken hebben), dat wil zeggen: door middel van denken in 'woorden', met een plaatje hooguit als ondersteuning. Hierdoor kan een volledig beelddenkend kind vastlopen. Als het kind geen aansluiting in de klaslokalen krijgt, kan het verveeld raken en doorslaan in negatief gedrag. De informatieverwerking in het hoofd verloopt op een andere manier. Hoewel het kind sneller kan denken, verloopt de verwerking vooral in communicatie trager. Het kind kan meer tijd nodig hebben voor een toets om alle opdrachten volledig af te maken; verbaal kan zich hetzelfde probleem voordoen. Een beelddenkend kind kan heel veel tijdsdruk ervaren, waardoor een toets niet kan worden afgemaakt. Het kind kan ook besluiten om opdrachten over te slaan. Reden hiervoor is dat het kind onder woorden moet brengen wat het in het hoofd 'ziet'. Het kind kan ook energieker zijn en beweging nodig hebben bij informatieverwerking in het hoofd (veel naar de WC gaan terwijl het niet hoeft). Normaal gesproken past lichaamsbeweging niet bij stilzitten in een klaslokaal. Herkenbaar is ook het kind dat door onderwijzers als 'dromerig' wordt gezien, perioden voor zich uit zit te staren of naar de vlindertjes buiten kijkt. Door dit gedrag kunnen prestatieresultaten achterblijven en kan het door de onderwijzer als minder intelligent en 'moeilijk' worden beschouwd, of als een minder theoretisch, praktisch ingesteld kind. Het tegendeel kan juist het geval zijn. Er zijn meer negatieve gedragskenmerken bekend. Het reguliere onderwijs biedt op dit moment weinig faciliteiten voor een andere denkwijze; het zou volgens vele onderwijzers tot onrust leiden.

Buiten Nederland en België is veel meer oog voor beelddenken in het onderwijs. Het Mind Research Institute in de Verenigde Staten heeft een nieuwe manier van visueel rekenonderwijs ontwikkeld. Het Mind Research Institute doet onderzoek en werkt samen met meer dan dertien universiteiten in de Verenigde Staten en daarbuiten, zoals John Hopkins University, University of Montreal, UCLA, East China Normal University, University of Victoria, Irvine, Medical University of South Carolina, University of Pittsburgh en University of California. De methode 'ST Math', kenmerkt zich door rekenonderwijs zonder gebruik van woorden. De 'ST' staat voor 'Spatial Temporal Reasoning', kwantitatief redeneren in tijd en ruimte, dit wordt gevonden in het 'hogere' denken. De methode is gebaseerd op toegepast neurologisch onderzoek. Inmiddels maken ruim 1 miljoen leerlingen en studenten gebruik van deze methode. 'ST Math' is op 3281 scholen in 45 staten ingevoerd. Het instituut wordt ondersteund door bedrijven zoals: PWC, Boeing, Hyundai, Cisco en de Xerox Foundation. Ook in Nederland zijn universiteiten die aandacht hebben voor beelddenken.

Wetenschappelijke opvatting[bewerken]

Op veel universiteiten en onderzoeksinstituten wordt beelddenken onderzocht. Het is stevig verankerd in de wetenschap. Sommige wetenschappers menen dat denken in beelden niet mogelijk is.[4] T. Braams (kinder- en jeugdpsycholoog) zegt hierover: "Hoewel het zeker zo is dat de ene persoon sterker visueel is ingesteld dan de andere, is het voor wetenschappers onmogelijk zich een volkomen niet-talige vorm van denken voor te stellen." En: "De taal is een enorm krachtig gereedschap om ingewikkelde zaken te overdenken. In de vorm van beelden is dat helemaal niet mogelijk." Braams' uitspraken zijn uitspraken die naar een persoonlijke mening neigen. Of een wetenschapper zich kan voorstellen dat er een niet-talige vorm van denken bestaat, hangt helemaal van de wetenschapper af, het soort onderzoek dat gedaan wordt, het doel van het onderzoek en de manier waarop de conclusies getrokken en geformuleerd worden. Er zijn wetenschappers die denken dat er geen beeldende manier van denken bestaat, maar er zijn ook wetenschappers die deze mening niet delen. Dat taal een krachtig gereedschap is om ingewikkelde zaken te overdenken, is overigens twijfelachtig. Taal kan een krachtig wapen zijn om ingewikkelde zaken te overdenken, maar dat hoeft niet. Dat hangt af van de persoon (kind of volwassene), die zichzelf een taaldenken of een beelddenken heeft toegeëigend.

Albert Einstein heeft hierover een duidelijke mening. Al in 1949, twee jaar eerder dan de introductie van het begrip 'beelddenken' door Maria Krabbe in Nederland, verschenen in het boek Albert Einstein Autobiographical Notes zijn gedachten over taal en het denkproces. Albert Einstein stelt de vraag wat 'denken' precies is en wat de rol van taal is tijdens het denkproces. Hij sluit af: "Het is absoluut niet nodig dat een concept (idee of gedachte) wordt gekoppeld aan een sensorisch en reproduceerbaar teken (woorden); maar wanneer dit het geval is, kan het denken daardoor worden gecommuniceerd". Oftewel, woorden zijn nodig om overdachte concepten en gedachten over te brengen, maar woorden worden zeker niet in ieder denkproces gebruikt. Dit bevestigde Jacques S. Hadamard (Frans wiskundige) – hij benaderde Einstein met vragen over diens manier van denken. Einstein antwoordde:

"(A) De woorden of de taal, zoals ze geschreven of gesproken zijn, lijken geen enkele rol te spelen in mijn denkmechanisme. De psychische entiteiten die als elementen in het denken lijken te dienen, zijn bepaalde tekens en min of meer duidelijke beelden die "vrijwillig" kunnen worden gereproduceerd en gecombineerd. Er is natuurlijk een zekere verbinding tussen die elementen en relevante logische concepten. Het is ook duidelijk dat er een wens is om uiteindelijk te komen tot logisch verbonden concepten, wat de emotionele basis is van dit nogal vage spel met de bovengenoemde elementen. Maar vanuit een psychologisch oogpunt lijkt dit combinatorisch spel het essentiële kenmerk van het productieve denken te zijn - voordat er enige connectie is met logische constructies in woorden of andere soorten tekens die aan anderen kunnen worden doorgegeven.

(B) De bovengenoemde elementen zijn, in mijn geval, visueel en sommige van het gespierde soort. Conventionele woorden of andere tekens moeten slechts omslachtig worden gezocht in een secundaire fase, wanneer het genoemde associatieve spel voldoende is vastgelegd en naar wens kan worden gereproduceerd.

(C) Volgens wat is gezegd, is het spelen met de genoemde elementen bedoeld om analoog te zijn aan bepaalde logische verbindingen waarnaar men op zoek is.

(D) Visueel en motorisch. In een stadium waarin woorden überhaupt tussenbeide komen, zijn ze in mijn geval puur auditief, maar ze bemoeien zich alleen in een secundaire fase, zoals hiervoor vermeld."

Einstein heeft dit ook vanaf 1916 in een aantal gesprekken met Max Wetheimer aangevoerd. Wetheimer was een vriend van Einstein en een van de grondleggers van de Gestalt-psychologie. Onderzoek doen naar denken is lastig, laat staan dat hier iets "bewezen" kan worden. Feit is wel dat woorddenkers zich niet kunnen voorstellen dat er mensen zijn die uitsluitend in beelden denken, dat geldt ook andersom. Wanneer men tot de ontdekking komt dat er mensen zijn die op een andere manier denken, kan er een zekere verwarring ontstaan. Zeker is, dat niet iedere beelddenker een genie is, maar dat beelddenkers die uitsluitend in beelden denken niet zouden bestaan, is wetenschappelijk zeer twijfelachtig en niet bewezen. Dat taal noodzakelijk is om ingewikkelde zaken te overdenken, zou kunnen, maar hoeft niet.

In maart 2016 is een onderzoek van start gegaan onder wetenschappelijke verantwoordelijkheid van prof. dr. K. P. (Kees) van den Bos van de RUG en dr. E.H. (Evelyn) Kroesbergen van de UU.[5]

Literatuur over beelddenken[bewerken]

  • Beelddenken, visueel leren en werken - Marion van de Coolwijk, uitgeverij Instituut Kind in Beeld
  • Beelddenken, visueel leren en werken WERKBOEK voor kinderen- Marion van de Coolwijk, uitgeverij Instituut Kind in Beeld
  • Ben ik in beeld? - kinderboek - Marion van de Coolwijk, uitgeverij LANNOO
  • Ben jij een beelddenker? - Kinderboek. Herdruk van Tom Poes en de Waggelgedachten van Marten Toonder.
  • De Kracht van Beelddenken - Ghislaine Bromberger. Uitgeverij Nelissen, ISBN 90-244-1664-7.
  • The Gift of Dyslexia - Ronald D. Davis. (vert: De Gave van Dyslexie)
  • Thinking in Pictures - Temple Grandin. Over beelddenken bij autisme.
  • Denkbeelden over Beelddenken - Roel de Groot, Cees Paagman. Uitgeverij Agiel, ISBN 90-807726-3-1.
  • Beelddenken en Begripsdenken: een Paradox? - Maarten In 't Veld, Roel de Groot. Uitgeverij Agiel, ISBN 90-77834-04-4.
  • Beelddenken in de praktijk - Anneke Bezem, Marion van de Coolwijk. Uitgeverij Instituut Kind in Beeld, ISBN 90-808-754-1-4.
  • Beelden in je hoofd. Handleiding voor beelddenkers - Lot Blom. AnkhHermes, ISBN 97890-202-08184
  • Denken in beelden - Tineke Verdoes, Uitgeverij SWP ISBN 97890-856-06536.
  • De gids over beelddenkende kids - Sandra Kleipas, Uitgeverij Scrivo Media ISBN 9789491687129.
  • De survivalgids beelddenken - Sandra Kleipas, Uitgeverij Abimo ISBN 9789462346307.
  • Misdiagnose van hoogbegaafden, handreikingen voor passende hulp - James T. Webb, Koninklijke van Gorcum ISBN 9789023250333.
  • Cambridge Handbook of visuospatial thinking - Priti Shah en Akira Miyake, Cambridge University Press ISBN 131645049X, ISBN 9781316450499.
  • Upside-Down Brilliance - The visual spatial learner - L.K. Kreger Silverman, The Institute for the Study of Advanced Development (Gifted Development Center) ISBN 978193218600.
  • Slim 2.0 - Facetten van hoogbegaafdheid - Eindredactie Frouke I, Welling, Koepel Hoogbegaafdheid ISBN 9789081659802.
  • Einstein, Albert autobiographical notes, Paul Arthur Schilpp, Open Court Publishing Co ISBN 9780812691795.
  • Thematic origins of scientific thought, Kepler to Einstein, Gerald Holton, Harvard University Press ISBN 9780674877481.
  • A mathematician's mind, testimonial for an essay on the psychology of invention in the mathematical field (in Idea's and Opinions), Jacques S. Hadamard, Princeton University Press ISBN 0691 029318
  • Wetenschappelijke publicaties van diverse wetenschappers verbonden aan het Mind Research Institute[6]