Betrouwbaarheid (statistiek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In statistische toepassingen is de term betrouwbaarheid een maat voor de kans dat een gemeten waarde representatief is voor de werkelijke waarde. Een meetmethode is nauwkeurig wanneer de meetwaarden statistisch betrouwbaar en precies zijn. De belangrijkste toetssteen voor nauwkeurigheid is dat bij hermeting (ongeveer) hetzelfde resultaat wordt opgetekend (precisie), en dat deze overeenkomt met de bekende waarde (betrouwbaarheid) .

Betrouwbaarheid garandeert niet de validiteit van de meting. Echter, een hoge betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit.

Om te controleren of een verzameling van gegevens homogeen (betrouwbaar) zijn, kan men gebruikmaken van Cronbachs alfa. Dit is de meest gebruikte maat in de klassieke testtheorie.

De betrouwbaarheid van een meting kan op verschillende wijzen worden gedefinieerd. Een definitie luidt: betrouwbaarheid geeft de mate aan waarin meetresultaten een afspiegeling zijn van de te meten variabele. Een andere definitie luidt: betrouwbaarheid geeft de mate aan waarin metingen vrij zijn van de invloed van toevallige factoren. Beide definities komen op hetzelfde neer. De betrouwbaarheid wordt als een verhouding van twee varianties of als een correlatiecoëfficiënt uitgedrukt. Bij de minimale waarde van de betrouwbaarheid (0) zijn de meetresultaten volledig onbetrouwbaar, scores worden alleen door toevallige factoren bepaald. Bij de waarde 1 zijn de toevalsfactoren volledig uitgeschakeld.

Tegenover de toevallige factoren staan de niet-toevallige factoren (systematische factoren) die al dan niet gebonden zijn aan de onderzoekssituatie of het gebruikte meetinstrument. Hier kan rekening mee worden gehouden.

In de geodesie wordt met statistische betrouwbaarheid de mate van gecontroleerdheid van een meting aangeduid.