Bewijs (civiel recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het civielrechtelijk bewijs dient ertoe om de rechter in een civiele procedure een redelijke mate van zekerheid te verschaffen omtrent de door partijen gestelde feiten, opdat deze tot de overtuiging komt dat de feiten zijn aangetoond. Ten aanzien van het civiel- of privaatrechtelijke bewijs kent het in het algemeen andere voorwaarden dan voor het bewijs in het strafrecht. Het bewijsrecht geldt in de dagvaardingsprocedure en voor de verzoekschriftprocedure, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

Bewijs in het Nederlandse burgerlijk recht[bewerken]

Het bewijs in het Nederlandse burgerlijk procesrecht is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.[1] Ten aanzien van het bewijs hanteert men een zogeheten open systeem. Dit hangt samen met het accusatoire karakter van het civiele recht. In het Nederland burgerlijk recht heeft niet de waarheidsvinding de hoogste prioriteit, maar wordt uitgegaan van hetgeen de partijen aandragen. Op grond van het autonomiebeginsel wordt ervan uitgegaan dat partijen zelf hun belangen dienen te behartigen op de wijze die zij verkiezen. Daarbij bepalen zij tot op grote hoogte zelf het onderwerp van het geschil en de feiten die zij als relevante rechtsfeiten aandragen. De rechter heeft hierbij een hoofdzakelijke "lijdelijke" rol. Ten aanzien van de bewijsmiddelen is er geen beperking tot vijf categorieën zoals in het strafrecht. In beginsel zijn alle bewijsmiddelen mogelijk. Ook geldt dat feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand beschouwd moeten worden. In beginsel zal de rechter dus niet om aanvullend bewijs vragen. Dit is wel nodig indien aanvaarding van de gestelde feiten zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van de partijen staat.[2]
Evenmin als in het strafrecht hoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid bewezen te worden.[3]

Bewijs in het Belgisch burgerlijk recht[bewerken]

In België onderscheidt men twee soorten juridische feiten: de rechtshandeling en het rechtsfeit. Dit onderscheid is relevant aangezien het bewijsrecht dat van toepassing is ervan afhangt.

Rechtsfeit[bewerken]

Het bewijsrecht inzake rechtsfeiten is volledig vrij. Men kan met andere woorden alle middelen van recht aanwenden om een rechtsfeit te bewijzen.[4]

Rechtshandeling[bewerken]

Het bewijsrecht inzake rechtshandelingen in het Belgisch burgerlijk recht is onderworpen aan de bewijsregels van het Burgerlijk Wetboek, m.n. de artikelen 1315-1369. Hier onderscheidt men het schriftelijk bewijs,[5] het bewijs door getuigen,[6] vermoedens,[7] de bekentenis van partijen[8] en de eed[9].

Schriftelijk bewijs[bewerken]

Men kan rechtshandelingen schriftelijk bewijzen middels een authentieke akte of d.m.v. een onderhandse akte. Een authentieke akte is een akte waarvoor de tussenkomst van een openbaar ambtenaar vereist is, zoals bv. voor een akte waaruit de verkoop van een onroerend goed blijkt, is de tussenkomst van een notaris vereist.[10] Een onderhandse akte is een akte die door enkel en alleen de partijen ondertekend is.[11] Indien het voorwerp van de rechtshandeling de waarde van € 375 overstijgt, is een akte (onderhands of authentiek) altijd vereist: die kan niet door getuigen worden bewezen.[12]

Bewijs door getuigen[bewerken]

Vermoedens[bewerken]

Bekentenis van partijen[bewerken]

De eed[bewerken]