Vermoeden (recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het vermoeden (Frans: présomption) is een juridische techniek die door middel van veronderstelling de bewijslast verdeelt.

België[bewerken]

Het gebruik van vermoedens in de bewijsvoering is geregeld door het Burgerlijk Wetboek (art. 1349-1353). Deze artikelen zijn ongewijzigd van kracht sinds de napoleontische tijd.[1] Ze maken een onderscheid tussen wettelijke vermoedens, die al dan niet weerlegbaar zijn, en feitelijke vermoedens. Naargelang het geval gaat het om "gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit." Vermoedens berusten dus op een redenering. Ze zorgen voor een verschuiving of zelfs omkering van de bewijslast.

Wettelijk vermoeden (praesumptio juris)[bewerken]

Van een wettelijk vermoeden is sprake als de wet zelf een bepaald gevolg verbindt aan zekere feiten. Deze "intermediaire" feiten moeten nog steeds worden bewezen om het vermoeden in gang te zetten.

Het zou correcter zijn om te spreken over een "rechtsvermoeden", want ook andere rechtsregels dan wettelijke kunnen vermoedens instellen (bv. het vermoeden dat eenieder wordt geacht de wet te kennen, is een algemeen rechtsbeginsel).

Wettelijke vermoedens vallen uiteen in weerlegbare (juris tantum) en onweerlegbare (juris et de jure).

Onweerlegbare vermoedens[bewerken]

Van een onweerlegbaar vermoeden mag het tegenbewijs niet worden geleverd. Zodra de intermediaire feiten zijn aangetoond, staat het wettelijk vooropgestelde rechtsgevolg onomstotelijk vast. Alleen een gerechtelijke bekentenis of een gerechtelijke eed is dan nog in staat om het vermoeden te ontkrachten.[2] Als het vermoeden de openbare orde raakt, is zelfs dat niet toegelaten. Onweerlegbaarheid wordt niet aangenomen en moet in principe uitdrukkelijk in de wet zijn vermeld.

Vroeger hadden strafrechtelijke uitspraken absoluut gezag van gewijsde: ze bezaten een onweerlegbaar vermoeden van waarheid en drongen zich op aan andere rechters (res judicata pro veritate habetur). Ondertussen is dit sterk afgezwakt. Toch zijn er nog genoeg voorbeelden van onweerlegbare vermoedens:

  • Echtscheidingsvordering: als echtgenoten al meer dan een jaar feitelijk gescheiden leven, neemt de wet aan dat hun huwelijk onherstelbaar ontwricht is.[3]
  • Bouwvergunning: bestaande constructies die zijn opgericht vóór 22 april 1962, worden geacht vergund te zijn.[4]
  • In België worden burgemeesters onweerlegbaar vermoed zowel de Nederlandse als de Franse taal te beheersen.
  • Afgevaardigden van werkgevers- en werknemersorganisaties worden geacht bevoegd te zijn om een CAO te sluiten namens hun organisatie.[5]

Weerlegbare vermoedens[bewerken]

Een weerlegbaar vermoeden geldt tot bewijs van het tegendeel. De wederpartij mag dus proberen aan te tonen dat de gevolgtrekking die de wet uit een bepaald feit afleidt, niet overeenstemt met de realiteit. Soms zal de wet de wijze waarop dit tegenbewijs mag worden geleverd limitatief beperken. Men spreekt dan ook wel van een gemengd vermoeden.

Feitelijk vermoeden (praesumptio facti)[bewerken]

Vermoedens van feitelijke aard worden overgelaten aan het oordeel en beleid van de rechter.[10] Zij is vrij om het bestaan van een vermoeden aan te nemen en de waarde ervan te beoordelen, binnen de grenzen gesteld door art. 1353 B.W.:

  • Alleen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens komen in aanmerking;
  • Alleen in gevallen waarin het getuigenbewijs is toegelaten (tenzij er sprake is van bedrog of arglist).

Rechters maken veelvuldig gebruik van de hen geboden mogelijkheid. Bekend is de jurisprudentie rond stilzwijgende aanvaarding tussen handelaars (leveringen, facturen...).

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Marcel Storme, De bewijslast in het Belgisch privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1962

Bronnen en noten[bewerken]

  1. Behoudens de opheffing van artikel 1351 bij de invoering van het Gerechtelijk Wetboek (1967), dat de regel hernam in zijn artikel 23.
  2. Artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek
  3. Artikel 229, § 3 van het Burgerlijk Wetboek; Brussel 26 september 2013, J.L.M.B. 2014, nr. 6, blz. 287.
  4. Artikel 4.2.14, § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
  5. Art. 12, eerste lid CAO-wet.
  6. Artikel 315-318 van het Burgerlijk Wetboek; weerlegging is gelimiteerd als het kind bezit van staat heeft.
  7. Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
  8. Artikel 14, 2. Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
  9. Artikel 154 van het Wetboek van Strafvordering
  10. Artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek