Bredase restaurantmoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Bredase restaurantmoord betreft een moord in het Chinees restaurant Peacock in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in de Nederlandse stad Breda. Mok Mui Cheung, Oma Mok, de 56-jarige moeder van de eigenaar van het restaurant, werd vermoord in de keuken van het restaurant. De inhoud van de gokkast werd ontvreemd.

Uiteindelijk resulteerde dit delict in een rechtsgang, die zich nu al meer dan twintig jaar voortsleept (1994-). [1]

Na een tip werden zes verdachten gearresteerd, drie vrouwen van 19, 20 en 21 en drie 19-jarige mannen (Abdeslam T., Anil B. en Achmed L.), die later bekend zouden worden als de 'Zes van Breda'. De vrouwen legden een bekennende verklaring af, de mannen bleven ontkennen. In hoger beroep kregen de mannen elk tien jaar gevangenisstraf, de vrouwen kregen tot twee jaar wegens medeplichtigheid.

Peter van Koppen deed met studenten onderzoek naar de zaak en schreef in 2008 het boek 'De dood in het Chinese restaurant', waarin de namen van personen en stad werden gefingeerd. Volgens Van Koppen zijn de verklaringen van de vrouwen tegenstrijdig en kunnen zij niet kloppen. Volgens Van Koppen zijn ontlastende verklaringen buiten het dossier gehouden.

Herziening[bewerken]

Op 5 juni 2012 heeft de procureur-generaal een herzieningsverzoek ingediend. Dit was de eerste keer dat een dergelijk verzoek werd ingediend door een procureur-generaal. De verklaringen van de medeplichtige vrouwen zouden tegenstrijdig zijn geweest en vol onmogelijkheden hebben gezeten.[2] Op 18 december 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat het gerechtshof in Den Haag de strafzaak opnieuw moet behandelen.[3] Dit is op 17 maart 2015 begonnen. Op 14 oktober 2015 maakte het gerechtshof bekend dat het eerdere vonnis standhield en werden de zes verdachten opnieuw schuldig hebben bevonden.[2][4] Zij hadden hun straf inmiddels uitgezeten.

Deze nieuwe veroordeling kwam tot stand ondanks de vaststelling dat twee bloedsporen, gevonden op twee cruciale plaatsen op de plaats delict (bij de gokkast en bij het stoffelijk overschot) niet konden worden gematcht met een van de daders of met enig andere betrokkene, waarvan DNA was afgenomen. Wel leverde specialistisch onderzoek op, dat de donor van dit spoor van origine afkomstig moest zijn uit (Zuidoost-)Azië of Oceanië. Het hof oordeelde, dat de bloedsporen –omdat zij nog niet geheel verdroogd waren– pas na het delict moesten zijn achtergelaten. Het hof baseerde zich op een artikel over het opdrogen van bloed, waarin nadrukkelijk werd gewezen op de afhankelijkheid van de uitkomsten van de heersende temperatuur, luchtvochtigheid en verdampingssnelheid. [5] Weliswaar hield het hof rekening met de temperatuur, maar ging daarbij af op de luchttemperatuur, i.p.v. de bodemtemperatuur. Voorts zag het hof over het hoofd, dat op het moment van het delict de luchtvochtigheid enige tijd 100% bedroeg. De bestudeerde druppelgrootte in het bewuste artikel bedroeg 25 μL, terwijl (passieve) bloeddruppels die spontaan vallen een volume hebben van circa 50 μL. Volgens Frank Ramsthaler (de hoofdauteur van het bewuste artikel in email), zou de droogtijd daarmee verdrievoudigen. [6]

Ook andere bezwaren, die de PG namens de Hoge Raad naar voren had gebracht werden opvallend lichtzinnig opzij geschoven. [7]

Dit geldt met name voor de weging van de verklaringen van de zogenaamde bushokjegetuigen. Deze verklaringen waren doorslaggevend voor de Hoge Raad (2012) om het herzieningsverzoek toe te kennen. Het hof (2015) oordeelde, dat deze getuigen al weg moesten zijn geweest, toen het delict aanving. En zag zo over het hoofd, dat de analyse ten behoeve van de Hoge Raad juist had benadrukt, dat deze getuigen van belang waren voor de gebeurtenissen vóór het delict. [8]

Cassatieverzoek[bewerken]

N.a.v. van het onmiddellijk door Mr. Knoops ingediende cassatieverzoek heeft de Advocaat Generaal bij de Hoge Raad Mr. A.E. Harteveld op 6 juni 2017 zijn conclusie gepubliceerd. [9] In deze conclusie werden vier middelen geheel of ten dele 'gehonoreerd', te weten:

  1. Dat de betekenis van de verklaringen van de bushokje-getuigen wel degelijk relevant is wegens de strijdigheid met het door het OM aangehangen en het Hof geaccepteerde scenario (het wachten op elkaar van de veronderstelde daders voorafgaand aan het delict).
  2. Dat het Hof zich ten onrechte een technisch-forensisch oordeel heeft aangemeten en daarbij ook nog eens verzuimd heeft de oorspronkelijke bron van dit oordeel te toetsen.
  3. (en 6) Dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom het belang hecht aan getuigenverklaringen die overduidelijk in strijd zijn met elkaar en vast te stellen omstandigheden.

De conclusie besluit met: "Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een aangrenzend gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan."

Een dergelijke conclusie kan worden gezien als een zwaarwegend advies aan de Hoge Raad om een nieuw proces te gelasten.