British Motor Corporation

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
British Motor Corporation BMC Ltd
Oprichting 1952
Opheffing 1966
Hoofdkantoor Longbridge, Engeland, UK
Opgegaan in British Motor Holdings (BMH)
Portaal  Portaalicoon   Economie

De British Motor Corporation (BMC) Ltd was een Britse autobouwer, die in 1952 ontstond door het samengaan van Austin Motor Company en de Nuffield Organisation (eigenaar van autobouwer Morris Car Company, MG, Riley en Wolseley). In 1966 ging BMC op in British Leyland Motor Corporation.

Organisatie[bewerken | brontekst bewerken]

Een BMC-aandeel
Een BMC-ambulance
Een Austin Mini Super-Deluxe uit 1963
De Mini was BMC's best verkopende auto
Een Riley 4/72 uit 1965

BMC was de grootste Britse autobouwer van zijn tijd (in 1952) met 39 percent van de Britse autoproductie, een waaier van merken en modellen in de personenautosector zoals Austin, Morris, MG, Austin-Healey, Riley, Vanden Plas, Wolseley, in de bedrijfswagenmarkt, en zelfs landbouwtractoren. De eerste voorzitter was Lord Nuffield (William Morris) maar deze werd reeds in augustus 1952 vervangen door de vroegere Austin-directeur Leonard Lord die de functie zou blijven vervullen tot zijn 65e verjaardag in 1961. Hij werd vanaf 1956 bijgestaan door managing director George Harriman.

BMC's hoofdkwartier was gevestigd in de Austin-fabriek te Longbridge bij Birmingham, omdat Austin de dominante partner van de groep was. Het gebruik van de door Morris ontwikkelde motoren werd binnen de eerste drie jaar na de fusie gestaakt en alle nieuwe auto-ontwerpen werden aangeduid met ADO ("Amalgamated Drawing Office"). De Longbridge-fabriek was zeer up to date, nadat men deze fabriek fundamenteel gemoderniseerd had in 1951. De Austin-fabriek werkte aanzienlijk efficiënter dan de zestien Nuffield-fabriekjes die verspreid waren over de Engelse Midlands. Het Austin-management was vooral op het vlak van kostencontrole en marketing echter niet zo goed als dat van Nuffield. Toen de markt veranderde van een markt met tekorten naar een competitieve markt werd dit probleem zeer goed voelbaar. Het verkoopsucces de Mini werd geanalyseerd door de Ford Motor Company, die tot de conclusie kwam dat BMC ongeveer £30 per verkochte auto verlies leed.[bron?] Het resultaat was dat ondanks de goede volumes, het marktaandeel kromp en dat ook de winstgevendheid verminderde en dus werd er minder geïnvesteerd in nieuwe modellen of modernisering van het aanbod. Uiteindelijk ging BMC op in British Leyland Motor Corporation.

Op het moment dat de bedrijven werden samengevoegd was er reeds een zeer goed uitgebouwd dealernetwerk voor elk merk afzonderlijk. Bij het Britse publiek was er een sterke merk-loyaliteit, ook al omdat elk merk zich op andere marktsegmenten richtte. Slechts op bepaalde vlakken was er dus concurrentie tussen de merken. De Riley- en Wolseley-modellen verkochten in kleine aantallen. De styling (vormgeving) van de auto's werd oubollig en dat was dan ook de reden voor Leonard Lord om beroep te doen op de diensten van een externe stylist.

BMC Farina[bewerken | brontekst bewerken]

BMC huurde in 1958 ontwerper Battista Farina, bekender als Pininfarina, in om de hele autolijn te moderniseren. Het resultaat waren de fameuze drie "Farina" saloons. Elk model werd "badge-engineered" om in het BMC aanbod te passen:

  • De compacte Farina werd gelanceerd in 1958 Austin A40 Farina. Dit wordt algemeen de eerste in groten getale geproduceerde hatchback genoemd. Er werd ook een kleine estateversie gebouwd met een horizontaal gedeelde tailgate; zijn omvang en configuratie zouden hem nu klasseren als een kleine hatchback. De Mark II A40 Farina kwam in 1961 uit en werd verder geproduceerd tot 1967. Deze kleine wagens gebruikten de viercilinder BMC A-motor.
Zie de categorie BMC vehicles van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.