De nuptiis Philologiae et Mercurii

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De nuptiis Philologiae et Mercurii (Latijn: 'over het huwelijk van Filologie en Mercurius') is een allegorische didactische tekst over de zeven vrije kunsten. Het werd door Martianus Capella geschreven tussen 400 en 439. Het heeft veel invloed gehad op het denken over de vrije kunsten in de middeleeuwen. Het is ook bekend onder de titels Satyricon en De septem disciplinis.

Receptie[bewerken | brontekst bewerken]

Becommentariëring vindt veel plaats in de vroege middeleeuwen, waarbij het geëvenaard wordt door slechts enkele andere teksten. In de Karolingische periode was men kennelijk gefascineerd door de bevreemdende tekst van Martianus. Dat kwam door de mythologische inhoud, gerelateerd aan educatie, en het allegoriegebruik, maar ook door het eigenaardige Latijn. Zo gebruikt de auteur bijvoorbeeld veel vreemde constructies, Griekse leenwoorden, hapaxen en neologismen. Ook later in de middeleeuwen werd de tekst nog veel gelezen en bestudeerd voor educatieve doeleinden. In de twaalfde eeuw worden echter meestal alleen de kosmologische onderdelen gekopieerd, terwijl handschriften uit de dertiende en veertiende eeuw vaak alleen boeken I en II bevatten. Dat is het mythologisch-allegorische onderdeel waarin het huwelijk tussen Mercurius en Filologie beschreven wordt. De delen over de zeven artes liberales werden wellicht weggelaten omdat Martianus’ tekst en theorie wat dat betreft niet langer interessant en prominent genoeg was, naast de Grieks-Arabische traditie die Europa binnendringt.[1] In de vijftiende eeuw en later blijkt dat de tekst maar weinig gedrukt is, en dat de eerste editie pas in 1499 verscheen (te Vicenza). Vóór 1501 zijn er maar twee edities gedrukt, erna maar zeven (alle uit respectievelijk Lyon en Bazel). De laatste is uit 1658. Daarnaast is er een aantal drukken dat delen van het werk bevat. Het zijn er acht. De laatste is uit 1863.

Overlevering[bewerken | brontekst bewerken]

Via afschrijvingen, maar ook via commentaren, is de tekst rijkelijk overgeleverd.[2] Omdat Martianus’ stijl echter nogal duister is, zijn er geregeld fouten gemaakt bij het kopiëren van de tekst. In 1959 en 1960 stelde Claudio Leonardi een inventaris samen met alle handschriften die hij kon vinden in Europese bibliotheken. Het bleken 243 te zijn, waarvan 6 vernietigd waren tijdens bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Door de talrijke corrupties in de kopieën pleit o.a. Stahl ervoor dat voor een editie van de moeilijk te doorgronden tekst vooral veel verschillende handschriften gebruikt worden, waarbij ook gekeken moet worden naar commentaren en glossen.

Vormgeving en inspiratie[bewerken | brontekst bewerken]

Martianus schreef een tekst die voor die tijd (en ook voor de middeleeuwen) juist minder saai is als hij wel lijkt. Voor wie een handleiding zocht tot de vrije kunsten, was De nuptiis een betrekkelijk bondig en tamelijk opgeleukt werk. Het werd zodoende het meest populaire schoolboek in de middeleeuwen en diende als basis voor de ontwikkeling van het trivium en quadrivium. Daarnaast heeft zijn werk als ‘format’ gefungeerd als het gaat om het combineren van zowel poëzie als proza, en was zijn allegoriegebruik, samen met die van Prudentius, een bron van inspiratie tot en met Dante Alighieri aan toe. Wat ook opvallend was aan Het huwelijk is het feit dat het een nieuwe weg inslaat voor het presenteren van de encyclopedische kennis. Vóór Martianus was het gebruikelijk dergelijke informatie te presenteren in de vorm van een dialoog in een symposium-setting. Martianus laat de kennis echter overbrengen in de vorm van zeven bovennatuurlijk wijze dienstmaagden (de disciplines of kunsten) die op de bruiloft verschijnen. Hierbij is de auteur vooral geïnspireerd door Varro (eerste eeuw v.Chr.), en door auteurs die op hun beurt ook door Varro geïnspireerd zijn, zoals Petronius (''Satyricon'', tweede helft eerste eeuw) en Apuleius (''De gouden ezel'', circa 170-180). Het huwelijk wordt als eerste aangehaald door de Noord-Afrikaanse mythograaf en bisschop Fulgentius (zesde eeuw), in zijn Mythologieën. Deze is duidelijk door eerstgenoemde geïnspireerd.

De duistere taal die Martianus gebruikt, samen met het onderwerp en bijvoorbeeld het feit dat hij graag juridische termen gebruikt, maken dat zijn werk niet geschreven was voor ongeschoolde mensen, en moeilijk toegankelijk was voor leken. Tegelijkertijd is het echter geen streng didactisch werk, maar wil het ook vermaak bieden. Vandaar de allegorisch-mythologische eerste twee boekdelen.

  1. Stahl, 1971, p. 73.
  2. M. Teeuwen, Writing between the lines: reflecions of scholarly debate in a Carolingian commentary tradition, p. 12.