Eerste Slag bij de Marne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eerste Slag bij de Marne
Onderdeel van de Eerste Wereldoorlog
Kaart van de slag Situatie op 9 september 1914.
Kaart van de slag
Situatie op 9 september 1914.
Datum 5 september tot 12 september 1914
Locatie rivier de Marne vlakbij Parijs, Frankrijk
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Flag of France.svg Frankrijk
Flag of the United Kingdom.svg Britse Rijk
Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Commandanten
Flag of France.svg Joseph Joffre
Flag of the United Kingdom.svg John French
Flag of the German Empire.svg Helmuth Johannes Ludwig von Moltke
Flag of the German Empire.svg Karl von Bülow
Flag of the German Empire.svg Alexander von Kluck
Troepensterkte
1.071.000 1.485.000
Verliezen
Ongeveer 263.000:
250.000 Franse slachtoffers
(80.000 dood)
13.000 Britse slachtoffers
(1.700 dood)
Ongeveer 250.000

De Eerste Slag bij de Marne was een slag in de Eerste Wereldoorlog die werd uitgevochten tussen het Franse en het Duitse leger van 6 september 1914 tot 9 september 1914. Later in de oorlog werd er ook nog een Tweede Slag bij de Marne uitgevochten van 15 tot 18 augustus 1918.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het Duitse leger rukte vanaf begin augustus 1914 op door België, in grote lijnen volgens het Schlieffenplan. Aan het eind van augustus waren de geallieerde legers gedwongen tot een gestage terugtocht in de richting van Parijs. Het oorspronkelijke plan van Von Schlieffen voorzag in een brede beweging waarbij een grote troepenmacht door het westen van België en Noord-Frankrijk zou trekken, teneinde westelijk en vervolgens zuidelijk van Parijs een tangbeweging te forceren. De opmars werd vertraagd doordat de Belgische tegenstand aanmerkelijk heviger was dan verwacht. Hierdoor namen de problemen rond de bevoorrading toe. Tevens werden Duitse troepen op 26 augustus in allerijl naar het Oostelijk front overgebracht. Hierdoor werd de Duitse troepensterkte aanmerkelijk uitgedund.

Von Kluck, de bevelhebber van het eerste Duitse leger, had bij zijn opmars een voorsprong gekregen op het tweede Duitse leger Von Bülow. Hierdoor ontstond een gat tussen beide legers. Von Kluck meende tevens dat de British Expeditionary Force reeds vrijwel verslagen was, niet meer tot vechten in staat of bereid was en zich in de richting van de zee zou begeven, en meende dat het verantwoord was om, teneinde dit gat te dichten, zijn opmars ten oosten van Parijs te verleggen. Hiermee stelde hij echter zijn flank bloot aan het Britse leger en het zesde Franse leger.

De Britse minister van oorlog Kitchener had persoonlijk de Britse opperbevelhebber, veldmaarschalk French bezocht en had hem weten te overtuigen van de noodzaak stand te houden.

Op 5 september verlegde Von Kluck zijn opmars in westelijke richting nadat hij bemerkt had dat het Britse leger zijn terugtocht gestaakt had, en samen met het zesde Franse leger zijn opmars hervat had. Hierdoor ontstond er een gat tussen zijn leger en het tweede Duitse leger onder bevel van Von Bülow, hetgeen tijdig door de geallieerden werd opgemerkt.

De slag[bewerken]

De slag begon op 6 september nadat op 5 september de eerste gevechten waren geleverd bij de rivier de Ourcq. Von Kluck kreeg in de avond van 5 september opdracht zich terug te trekken op de rivier de Aisne. Tussen 6 en 8 september slaagden de geallieerde troepen erin de Duitse troepen te verslaan, daarbij geholpen door 6000 man die vanuit Parijs in gevorderde taxi's, bussen en vrachtwagens naar het front werden gebracht. (Aan deze taxis de la Marne is in de geschiedenis een doorslaggevende rol toegedicht; historici verschillen hierover echter van mening.)

Op instructie van de Duitse opperbevelhebber Von Moltke bezocht de luitenant-kolonel Hentsch de hoofdkwartieren van de diverse Duitse legers teneinde zich persoonlijk van de situatie op de hoogte te stellen. (De verbindingen per radio en telefoon waren gebrekkig.) Het beeld dat hem geschetst werd, vooral door Von Bülow, was dat van een te zeer verspreid geraakt leger, dat het risico liep doorsneden te worden, met het gevaar van een omsingeling van een of meer van de Duitse legers. Met name het gat tussen het Eerste en Tweede Duitse leger werd gevuld door de Britse en Franse troepen. Von Bülow besloot, tot op zekere hoogte op eigen gezag, tot terugtrekking van zijn Tweede leger. Het Eerste en derde leger waren daardoor genoodzaakt zich eveneens terug te trekken. Op 10 september bracht Hentsch verslag uit, wat voor Von Moltke aanleiding was om in persoon de hoofdkwartieren van de diverse Duitse legers te bezoeken. Op 11 september beval hij de algehele terugtocht, over het gehele westelijke deel van het front, tot op de rivier de Aisne.

Door logistieke problemen konden de Franse troepen hun succesvolle tegenaanval niet volledig uitbuiten. De Duitse troepen slaagden erin zich in te graven, wat het begin vormde van de loopgravenoorlog.

Bij de slag waren circa 2,5 miljoen militairen betrokken, van wie circa een half miljoen sneuvelden.

Het vervolg[bewerken]

Door de uitkomst van de Slag bij de Marne werd een snelle Duitse overwinning onmogelijk. Het gehele westelijk front werd een stelsel van loopgraven. In de komende jaren werden slechts zeer geringe terreinwinsten geboekt, ten koste van miljoenen levens. De patstelling zou tot het einde van de oorlog aanhouden.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Barbara Tuchman, The Guns of August, ch. 21-22
  • John Keegan, The First World War, Ch. 4