Fluitkwartet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term fluitkwartet wordt gebruikt om twee verschillende soorten ensembles in de kamermuziek aan te duiden. De eerste is een bezetting van een fluit met drie strijkers (namelijk viool, altviool en cello), analoog aan een strijkkwartet waarin de fluit de plaats van de eerste viool inneemt. Het tweede soort ensemble is een kwartet van vier fluiten. In plaats van 4 "gewone" dwarsfluiten in C, kunnen ook piccolo, altfluit en basfluit ingezet worden: bv. drie C-fluiten en een altfluit, of twee C-fluiten, alt- en basfluit (een soort equivalent van het strijkkwartet).

Werken voor fluit en strijktrio[bewerken]

De vorm van deze bezetting is sterk verwant met die van het strijkkwartet, met een fluit in plaats van de eerste viool. Dit type kamermuziek bereikte zijn hoogtepunt rond het midden van de tweede helft van de 18e eeuw. Belangrijke werken met fluitkwartet bestaande uit fluit, viool, altviool en cello zijn onder andere van deze componisten

De populariteit van de bezetting van fluit plus strijktrio in voorbije tijden is af te lezen aan de grote hoeveelheid van contemporaine transcripties van strijkkwarten door uitgevers, bijvoorbeeld de transcripties van de strijkkwartetten van Joseph Haydn. Gioacchino Rossini transcribeerde zes van zijn Sonate a quattro, oorspronkelijk voor strijkkwartet.

In de eerste helft van de 19e eeuw werd het strijkkwartet veel belangrijker dan het fluitkwartet. Als resultaat ervan werden er maar erg weinig nieuwe werken geschreven, tot de 20e eeuw. Tot het verschijnen van de kwartetten van Volkmar Andreae (Op. 43) en Gottfried von Einem (Op. 85), ontbrak het in de 20e eeuw aan fluitkwartetten.

Werken voor 4 fluiten[bewerken]

19e eeuw[bewerken]

Werken voor vier fluiten waren met name populair aan het begin van de 19e eeuw. De bekendste stukken zijn wellicht de kwartetten van Friedrich Kuhlau (kwartet in E majeur) en Anton Reicha (kwartetten Op. 12 en Op. 19). Andere kwartetten kwamen van bijvoorbeeld Friedrich Hartmann Graf, Anton Bernhard Fürstenau en Luigi Gianella.

Vroege 20e eeuw[bewerken]

In de 20e eeuw werden kwartetten met vier fluiten opnieuw populair. De geluid van een fluitensemble, met zijn specifieke lichte klankkleur had met name aantrekkingskracht op de Franse blazerstraditie. Voorbeelden van werken de eerste helft van de 20e eeuw zijn die van Florent Schmitt (kwartet Op. 106), Josef Lauber (Vision de Corse, Op. 54), Marc Berthomieu (Arcadie), Joseph Jongen (Elégie, Op. 114.3), Alexander Tsjerepnin (Quatuor pour flûtes Op. 60 - 1939), and Colonial Sketches (1940) van Sol B. Cohen.

Late 20e eeuw[bewerken]

De late 20e eeuw kende een nieuwe revival voor het fluitkwartet, met onder andere deze werken:

Zie ook[bewerken]