Franse literatuur in de 20e eeuw (tot 1914)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Literatuur
Franse literatuur
Handtekeningen van meerdere franse auteurs
Lijst van Franstalige schrijvers
Middeleeuwen
16e eeuw
17e eeuw
18e eeuw
19e eeuw
20e eeuw:
1900-1914 · 1914-1945 · 1945-1960

1960-1980 · sinds 1980

Portaal  Portaalicoon  Frankrijk
Portaal  Portaalicoon  Literatuur

De eerste 14 jaar van de 20e eeuw, tot het begin van de Eerste Wereldoorlog, zijn in feite niet meer dan een voortzetting van de ontwikkelingen aan het eind van de eeuw ervoor; de tegenstellingen die toen waren ontstaan verscherpten verder.

1rightarrow blue.svg zie de Franse literatuur in de 19e eeuw

Belle Époque en Fin de Siècle[bewerken]

Apollinaire
Jarry

Hoewel het in tegenstelling tot de 19e eeuw politiek gezien een stabiele tijd was (de Derde Republiek duurde van 1871 tot 1940) waren het sociaal en cultureel gezien zeer turbulente tijden. Aan de ene kant was er sprake van ongebreideld optimisme en euforie door de wetenschappelijke en economische ontwikkeling, waardoor de jaren voor de Eerste Wereldoorlog de benaming La Belle Époque zouden krijgen. Maar aan de andere kant zijn er de toenemende sociale misstanden en conflicten en hing de dreiging van de Eerste Wereldoorlog al in de lucht. Dat algemene gevoel van onbehagen wordt met fin de siècle aangeduid.

Père Ubu uit Ubu Roi van Alfred Jarry

Voor het theater werden vooral amusementstoneelstukken geschreven: de schrijvers wilden de burgers van de Belle Époque vermaken, zij het op een ironisch spottende wijze: Georges Feydeau, On purge bébé (1910) en Georges Courteline, Messieurs les Ronds-de-Cuir (1910). Vernieuwingsdrang in het theater vond men bij één auteur die verregaand absurd toneel schrijft: Alfred Jarry, Ubu Roi (1896). Zijn stukken waren trouwens oorspronkelijk bedoeld voor het marionettentheater.

De intellectuelen[bewerken]

In een tijd waarin vooraanstaande schrijvers en denkers steeds meer in het openbaar hun mening uitten over sociale misstanden, deed een typisch Franse term opgang om hen aan te duiden: les intellectuels oftewel de intellectuelen. Het verschil met de Nederlandse betekenis van dat woord is dat de Franse intellectuelen zich openlijk bemoeien met de stand van zaken in de maatschappij. Het woord wordt voor het eerst gebruikt na het verschijnen van Émile Zola's J'accuse...! in de Dreyfus-affaire, maar slaat al snel op een hele klasse van schrijvers en denkers die later in de twintigste eeuw, in andere landen, als intelligentsia bekendstaat.

Vooraanstaande personen die zich hiermee bezighielden waren Anatole France (schrijver)|Anatole France]] (een spreekbuis van links), Romain Rolland, een pacifist, maar ook schrijvers als Maurice Barrès, die nationalische artikelen, essays en zelfs twee nationalistische romantrilogieën schrijft (de één met de titel Le Roman de l'énergie nationale, en de ander Les bastions de l'Est). Voor veel van deze schrijvers is hun politieke activiteit net zo belangrijk als hun literaire productie. In hun werken is de inhoud het belangrijkst. Qua vorm komt er geen enkele vernieuwing uit deze groep voort.

Andere romanschrijvers ontdekken Freud. Zo werd de wereld van adolescenten beschreven door Alain-Fournier, Le Grand Meaulnes (1913) en typeerde Octave Mirbeau in Journal d'une femme de chambre (1900) de mentalilteit van de bourgeoisie.

Irrationalistische tendensen[bewerken]

Er ontstond een tegenbeweging, die een voortzetting was van het laat-19e-eeuwse symbolisme en zich niet alleen tegen het politieke engagement afzette, maar ook tegen de 19e-eeuwse positivistische manier van denken die de hele 20e eeuw door is blijven werken. Het absolute karakter hiervan werd op diverse manieren ter discussie gesteld. Onder andere de psychoanalyse van Sigmund Freud en de relativiteitstheorie van Albert Einstein zouden volgens deze tegenbeweging afbreuk doen aan het vertrouwen in de wetenschap. Schrijvers die voorheen het positivisme beleden, bekeerden zich tot het katholieke geloof, het boeddhisme, of zelfs het occultisme. De literatuur van symbolisten als Stéphane Mallarmé, Joris-Karl Huysmans, André Gide en Émile Verhaeren werd steeds minder toegankelijk en gleed af naar decadentisme. Een andere emblematische schrijver is Maurice Maeterlinck, Pelléas et Mélisande (1892).

Een kalligram van Apollinaire

Geboorte van de moderne poëzie[bewerken]

De beweging van l'Art pour l'Art, een voortzetting van de dichtersgroep de Parnasse, streefde vooral naar een absolute stilistische schoonheid. De poëzie van het begin van de 20e eeuw richtte -hernieuwde- aandacht op wereld en werkelijkheid. Er wordt meer en meer geëxperimenteerd met vorm en stijlfiguren. Paul Valéry gebruikt in zijn dichtwerk La jeune Parque (1917) zeer ontoegankelijke taal. Poëzie moet in zijn ogen zo moeilijk mogelijk zijn, hoe langer het duurt om het te begrijpen, hoe groter het besef de schoonheid. Guillaume Apollinaire, Alcools (1913) en Calligrammes (1918) daarentegen, werkt aan zeer visuele poëzie. De vorm en de inhoud van zijn gedichten kunnen uitgewisseld worden. We zijn inmiddels ver van de alexandrijn die minder dan een eeuw ervoor de Franse poëzie nog volledig bepaalde.

Bronnen[bewerken]

  • BIET, Christian, Littérature, uitg. Magnard, Parijs, 1992
  • BRUNEL, Pierre, Histoire de la littérature française au XIXe et XXe siècle, uitg. Bordas, Parijs, 1992