Gosen (Bijbel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Satellietbeelden van Egypte, met een globale afkadering van Gosen

Gosen (Hebreeuws: Goshen) is volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de naam voor een gebied in het Oude Egypte waar de Israëlieten zich, als dank voor Jozefs inspanningen voor de farao, konden vestigen om hun vee te laten grazen op de vruchtbare weidegronden. Gosen strekte zich uit over het gebied tussen het oosten van de Nijldelta en het tegenwoordige Suezkanaal.

Nadat Jozef zich had opgewerkt tot onderkoning van Egypte, nodigde hij zijn vader Jakob en zijn broers uit om zich in Gosen te vestigen. De mannen stemden in en stichtten er een nederzetting.

Eeuwenlang kon het voorheen nomadische volk van Jakob er zonder problemen wonen, tot er een farao aan de macht kwam die de Israëlieten zag als een gevaar voor zijn land. Ze zouden samenzweren met buitenlandse legers en zo een serieus gevaar voor de Egyptenaren vormen. Om die reden werden de Israëlieten van Gosen zeer rigoureuze maatregelen opgelegd. Alle mannelijke kinderen moesten na de geboorte worden gedood en de volwassenen werden als slaven behandeld.

Mozes werd direct na zijn geboorte te vondeling gelegd en geadopteerd door een dochter van de farao - in de Midrasj geïdentificeerd als Bitja. Toen hij rond zijn veertigste merkte dat zijn verwanten als slaven behandeld werden, kwam Mozes in opstand. Hierna moest hij vluchten voor de farao, leerde via zijn schoonvader Jethro JHWH kennen en bracht toen hij ongeveer tachtig jaar oud was tien plagen over Egypte en nam de Israëlieten van Gosen mee op een veertig jaar durende trektocht naar hun gebied van oorsprong Kanaän, het huidige Israël en Palestina. De nederzetting in Gosen hield na 215 jaar op te bestaan.[1][2]

Volgens Exodus hoofdstuk 12:40-41 zouden de Israëlieten precies 430 jaar in Egypte hebben gewoond.