Het bittere kruid (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Drie soorten maror: Het bittere kruid van de Pesach-maaltijd

Het bittere kruid. Een kleine kroniek (1957) is het eerste boek van schrijfster Marga Minco, een 'sobere, maar ongewoon aangrijpende kroniek'[1] van haar ervaringen betreffende de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. De 'onderkoeld geschreven'[2] kroniek leverde haar de Vijverbergprijs 1958 op. Het 'zeer veel gelezen boekje'[3] werd talloze malen herdrukt en vertaald en 'geldt thans als een van de klassiekers uit de Europese literatuur over de Tweede Wereldoorlog.[4]

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Het boek begint net na de capitulatie van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De familie keert terug van de evacuatie vanwege de inval. Haar vader vindt onderduiken niet nodig, al zijn ze joods. De verhalen over Jodenvervolging geloven ze niet, en Duitsland klinkt zo ver weg… Wanneer ze een paar bezetters passeren, die hen niets doen zegt haar vader ‘Zie je wel, ze doen ons niets.’ De ik-persoon denkt terug aan de tijd toen ze jonger was en aan hoe ze gepest werd omdat ze joods was. Kinderen riepen haar toe dat de joden Jezus zouden hebben vermoord.

De ik-persoon krijgt tbc en hun gezin verhuist tegelijkertijd naar Amersfoort. Daar moet ze naar het ziekenhuis. Haar broer Dave en schoonzus Lotte wonen ook in Amersfoort. Op een dag komt haar vader thuis met Jodensterren die alle Joden moeten dragen. Terwijl ze de sterren op hun kleren bevestigen praten ze alleen over de kleur garen die ze gebruiken, en of de ster bij hun jasje kleurt.

  • We haalden de jassen van de kapstok en gingen de sterren er op naaien. Bettie deed het heel nauwkeurig, met kleine onzichtbare steken. ‘Je moet ze zomen,’ zei ze tegen mij, toen ze zag hoe ik de ster met grote, slordige steken op mijn mantel zette. ‘Dat staat veel netter.’

Het blijft niet bij sterren; vader en haar broer Dave krijgen een oproep voor een werkkamp. Omdat haar vader een huidaandoening heeft wordt hij afgekeurd. Dave doet alsof hij ziek is door een bruinkleurig drankje te gebruiken. Zo voorkomen ze dat ze naar het werkkamp moeten. Nog steeds duiken ze echter niet onder, ondanks het feit dat er veel razzia’s plaatsvinden, waarbij zelfs Bettie, haar zus, opgepakt wordt.

  • Ik zag het voor me. Ik zag de grote auto’s en ik zag mijn zuster er in zitten. ‘Je kunt niets doen’, zei mijn vader, ‘Je kunt geen hand uitsteken.’

Op een gegeven moment komt het niet-joodse buurmeisje langs en zegt dat ze een aantal spullen van de ik-persoon mooi vindt. Die antwoordt daarop dat het buurmeisje ze mee kan nemen, omdat zij er toch geen gebruik meer van kan maken. Het komt er op neer dat het buurmeisje met armen vol spullen het huis verlaat.

  • Met het racket, het tasje en de andere dingen in haar armen bleef ze staan en keek mijn kamer rond, alsof ze iets vergeten had. ‘Dat tegeltje… ,’ zei ze. Ik pakte het van de muur en legde het boven op de andere dingen. ‘Ik zal de deur voor je opendoen,’ zei ik. ‘Ik had beter een tas mee kunnen nemen,’ zei ze lachend.

Weer komt er een oproep, maar nu voor het hele gezin. De ik-persoon en Dave komen er onderuit met behulp van de dokter, die hen ziek verklaart, hoewel ze dat eigenlijk niet zijn. Lotte mag dan blijven om hen te verzorgen. Haar vader en moeder worden weggevoerd naar een getto in Amsterdam.

Op een dag besluit de ik-persoon om haar ouders op te gaan zoeken in Amsterdam, ook al is dat levensgevaarlijk geworden voor joden. In Amsterdam aangekomen besluit ze een tijdje te blijven. Terwijl ze in Amsterdam is komt er een inval in haar ouderlijk huis.

  • Ze moeten een loper gehad hebben. Ze stonden in de kamer voor we ons hadden kunnen verroeren. Het waren grote mannen en ze hadden lichte regenjassen aan. ‘Haal onze jassen even,’ zei mijn vader tegen mij. Mijn moeder dronk haar kopje thee uit.

Haar ouders worden opgepakt, de ik-persoon kan nog net door de achterdeur ontsnappen. Maar omdat haar jas dan nog in het huis hangt, met daarin haar persoonsbewijs, weten de bezetters alles van haar.

Ze gaat naar Dave en Lotte. Ze bleekt haar haar, net als Lotte en Dave. Dit trekt de aandacht van de buurvrouw, en ze besluiten uit elkaar te gaan. Voor ze helemaal uit elkaar gaan, besluiten ze voor de laatste keer de bioscoop te bezoeken. Dan gaan ze op reis naar Utrecht. Lotte en Dave worden opgepakt en de ik-persoon is nu alleen over. Ze gaat maar weer naar Amsterdam en daar helpt Wout haar aan een onderduikadres. Zij had Wout al eerder ontmoet, waarbij Wout haar had beloofd, wanneer ze in moeilijkheden zou zitten, hij haar zou helpen. In haar onderduiktijd, tot het einde van de oorlog, wisselt ze nog een paar keer van onderduikadres. Na de oorlog bezoekt ze haar oom en tante in Zeist. Deze oom en tante waren niet opgepakt omdat haar tante geen joodse was. Haar oom wacht haar op bij de tramhalte en ze is blij dat hij haar opwacht. Dat blijkt hij iedere dag van de week te doen. Deze oom blijft geloven dat haar vader ooit nog eens terug zou komen. Tenslotte sterft ook die oom nog.

  • Ik miste het geloof van mijn oom. Zij zouden nooit terugkomen, mijn vader niet, mijn moeder niet, Bettie niet, noch Dave en Lotte.

Titelverklaring[bewerken]

Het bittere kruid is maror, een gerecht dat Joden op sederavond eten ter nagedachtenis aan de slavernij in Egypte. Het symboliseert het leed dat mensen wordt aangedaan.

Perspectief van de verteller[bewerken]

Het boek is in de ik-vorm geschreven, maar de hoofdpersoon heeft geen naam. Zij valt niet samen met de echte Marga Minco (die in werkelijkheid in de oorlog ouder was). Het boek is geschreven in nuchtere bewoordingen, zonder dat de emotie expliciet wordt. Er wordt in het boek niet op de bezettende macht gescholden en de familie ondergaat alles gelaten.

Receptie[bewerken]

Volgens Kees Fens vertegenwoordigen de gebeurtenissen uit het boek 'door het literaire niveau van het boekje, het leed van duizenden lotgenoten van de schrijfster'.[5]

Vertalingen[bewerken]

Bitter herbs. Vertaling Roy Edwards. Oxford University Press, 115 pp.

Luisterversie[bewerken]

Marga Minco heeft haar boek in een luisterversie uitgebracht, voorgelezen door haarzelf.

Film[bewerken]

In 1985 verscheen de Nederlandse speelfilm Het bittere kruid (Engels: Bitter Sweet) van regisseur Kees van Oostrum. Het verhaal is gebaseerd op de roman van Marga Minco, maar die heeft zich nadrukkelijk ervan gedistantieerd. Zij probeerde vergeefs via de rechter de titel te laten veranderen.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. W. Gobbers, 'Marga Minco.' In: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van de middeleeuwen tot heden, met inbegrip van de Friese auteurs. Weesp, De Haan, 1985. Geraadpleegd op 1 april 2014.
  2. G.J. van Bork, 'Marga Minco.' Schrijvers en dichters, 2009, online. Geraadpleegd op 1 april 2014.
  3. J.A. Dautzenberg, Nederlandse literatuur. Geschiedenis, bloemlezing en theorie. Den Bosch, Malmberg, 1989, 368.
  4. Jan Brokken, 'Marga Minco: "Schrijven vervormt je herinnering."' In Jan Brokken, Schrijven. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1980, 173. Geraadpleegd op 1 april 2014.
  5. Kees Fens, in Kroon (1982), 53.

Bronnen[bewerken]

Dirk Kroon (red.). (1982). Over Marga Minco. Beschouwingen en interviews. Uitgeverij BZZTôH, 's-Gravenhage.