Hortus conclusus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wandschildering met hortus conclusus. Op de voorgrond de levensboom met Maria en Jezus. (Jacob Carl Stauder 1738)

Hortus conclusus is Latijn en betekent letterlijk omsloten tuin. Het is een middeleeuws begrip, maar vindt zijn oorsprong in het Bijbelse Hooglied. Het concept voldeed aan een aantal voorschriften die voornamelijk bij de aanleg van abdijtuinen en ook begijnhoven toegepast werden. De hortus conclusus beantwoordde aan een fundamentele drang naar introspectie en gaf uitdrukking aan een bijzondere visie op de natuur, een kosmische gerichtheid op het landschap.

In de schilderkunst van de 15de eeuw is het motief van de hortus conclusus opvallend aanwezig als onderdeel in een belangrijk christelijk beeldmotief: de annunciatie of Mariaboodschap. In de Zuidelijke Nederlanden werd de hortus conclusus in de 15de en 16de eeuw door religieuze vrouwen ook op een bijzondere manier vormgegeven als besloten hofje.

De populariteit van het annunciatiemodel loopt parallel met de herintroductie van het landschap in de westerse schilderkunst. De meeste aandacht gaat naar de Italiaanse renaissance: Fra Angelico, Piero della Francesca en Leonardo da Vinci zijn er ankerpunten in, ook de Madonna bij de fontein (Jan van Eyck) werd erop geïnspireerd. Verder komt het thema regelmatig in de muziek voor, zoals bij Gian Francesco Malipiero en Nicolas Gombert.

De bijzondere band met de architectuur en de tuinarchitectuur trekt het concept van de omsloten tuin ook open naar de hedendaagse kunst, ontdaan van zijn christelijke betekenis.

Karakteristieken van de hortus conclusus[bewerken]

Godescalc-evangelistarium met een afbeelding van de levensfontein

Aangezien de hortus conclusus per definitie omsloten is, wordt hij typisch omgeven door een omheining. Deze kan gemaakt zijn van vitselstek (tenen vlechtwerk). Bij de abdijen is dit een kloostergang of ambulatorium. Dat is in principe een open gaanderij, waarvan de arcaden vrij doorzicht geven op de tuin. De oorsprong van deze colonnade lag in de typische bouw van de Romeinse villa's in de Gallo-Romeinse periode.

De omsluiting op zich verhinderde de vrije doorgang voor onbevoegden en hield ook de niet gevleugelde dieren buiten.

Centraal in de aldus omsloten ruimte staat de levensfontein, symbool van de oorsprong van alle leven, maar ook voor praktisch gebruik. Er werden altijd vier paden voorzien die van of naar de fontein leidden. Hiermee is de hortus conclusus gemodelleerd naar de Tuin van Eden in het Bijbelboek Genesis. Daarin is sprake van een bron in het midden van de tuin die zich in vier stromen vertakt om de tuin te bevloeien. Door die vier stromen werd het vierkant in vier kwadranten verdeeld. Daarin verscheen dan de uiteindelijke beplanting, vaak met kruiden, maar ook bloemen.

De uiteindelijk overgroeide ruïnes van Romeinse villa's die zo vaak hermaakt waren raakten net als de sites van benedictijnerkloosters hun plantentuinen al kwijt na enkele decaden verwaarlozing: "tuinarchitectuur is een veel vluchtiger kunstvorm dan architectuur, schilderkunst, muziek en vooral literatuur: haar meesterwerken verdwijnen zonder veel sporen na te laten."[1] Maar "toen in 1070 de abdij van Monte Cassino werd herbouwd,[2]" werd aldus Georgina Masson,[3] "de tuin beschreven als een paradijs in Romeinse stijl'", en zou in feite enkel "de aura van de grote klassieke traditie" hebben overleefd.

Het Liber ruralium commodorum van Pietro Crescenzi van Bologna werd vaak gekopieerd en herdrukt in de vijftiende en zestiende eeuw. Het was een praktische beschrijving bij de aanleg van een hortus conclusus. In de late middeleeuwen toonden schilderijen en verluchtingen van manuscripten de tuin allegorisch. Pas in de vijftiende eeuw begonnen, aanvankelijk in Italië bepaalde Europese tuinen de blik naar buiten te richten.

De Maagd Maria als hortus conclusus[bewerken]

De term hortus conclusus is afkomstig uit Hooglied 4:12, in het Latijn: Hortus conclusus soror mea, sponsa, hortus conclusus, fons signatus ("Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.")[4][5] Hieruit vloeide de gemeenschappelijke linguïstische cultuur van het christendom voort, van de homilieën die het Hooglied verklaarden als allegorie waar Salomo's bruidszang geherinterpreteerd werd als mystiek liefdeshuwelijk tussen Christus en de Kerk. Het vers "Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u" uit het Hooglied werd beschouwd als bevestiging uit de schriftuur van de zich ontwikkelende en nog steeds controversiële doctrine van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.

Volgens de christelijke traditie was zij maagd gebleven en ontvangen van de Heilige Geest, de derde persoon van de Drievuldigheid. In die hoedanigheid werd Maria in de laat middeleeuwse en renaissance kunst afgebeeld nabij een besloten tuin. In het gebedsboek van Grimani staan de emblematische voorwerpen ten teken van de Onbevlekte Ontvangenis: de besloten tuin, de grote ceder, de bron van de levende wateren, de vruchtbare olijfboom, de bron in de tuin en de rozenstruik.[6] Niet alle middeleeuwse horti conclusi deden ook maar een poging om al deze details te bevatten, vooral de olijfboom was vaak onvoldoende bestand tegen het klimaat.

Twee pelgrimsoorden zijn in het Nederlandstalige cultuurgebied aan de Maagd Maria als besloten tuin gewijd. In het Groningen is er het beeld van de Bedroefde Moeder van Warfhuizen in de kluiskapel van Warfhuizen. Het andere heet "Onze Lieve Vrouw van Tuine" en wordt in de kathedraal van Ieper vereerd.

Afbeeldingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]