Juffertoren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Juffertoren is de naam die aan drie kerktorens in Groningen wordt gegeven. Twee hiervan bestaan nog in Schildwolde (bij de hervormde kerk) en in Onstwedde (onderdeel van de Nicolaaskerk). De derde in Holwierde (bij de Stefanuskerk) stortte in 1836 in en werd in 1855 afgebroken. Ook Godlinze had oorspronkelijk een juffertoren, die in 1583 instortte. De torens worden onderscheiden door hun gemetselde spits. Vergelijkbare torens zijn ook elders te vinden, met name op het eiland Wieringen.

Sage[bewerken]

Aan de juffertorens in Groningen is een sage verbonden, die onder meer door verhalenverzamelaar K. ter Laan is opgetekend in zijn boek Groninger Volksleven.[1]

"Er waren eens drie schatrijke zusters die niets anders deden dan feesten en dansen. Op een gegeven moment gingen ze inzien dat zo'n leven toch wel erg leeg was. Ze zagen in dat ze met hun rijkdom niets goeds deden. Tot dan toe waren ze altijd bij elkaar geweest, maar nu besloten ze uit elkaar te gaan. En waar ieder uitkwam, daar bouwden ze een toren ter ere van God. En die torens moesten precies gelijk zijn. De eerste kwam uit in Holwierde en bouwde daar een toren, de tweede kwam uit in Schildwolde en bouwde daar haar toren en de derde in Onstwedde. Daar staan drie torens die van ver te zien zijn en een lust voor de ogen te zijn."

De sage meldt dat de torens gelijk zijn, maar de torens van Onstwedde en Schildwolde verschillen behoorlijk.

Waarschijnlijk is de verklaring voor de naam Juffertoren heel wat prozaïscher. Een juffer is een lange dennenstam, die spits toeloopt. Naar analogie hiervan hebben dit soort smalle, hoogoplopende, spits toelopende torens de naam Juffertoren gekregen.[2]

Elders in Nederland[bewerken]

Elders in Nederland bevinden zich torens met een gemetselde spits in:

Volgens Ter Laan waren er ook drie 'geheel gelijke juffertorens' in Doornspijk (1826 na watersnood afgebroken), Oosterwolde (Gelderland) (in 1844 met de St.Nicolaaskerk afgebroken) en Kamperveen (1859? gesloopt).[3]