Kaak (anatomie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Menselijke kaak (vooraanzicht)
Menselijke kaak (zijaanzicht)
Menselijke kaak (bovenaanzicht)

Een kaak is een deel van de schedel, en kent in de biologie een grote verscheidenheid aan vormen en maten, maar de functie is meestal hetzelfde: het voedsel bewerken voor het in het spijsverteringsstelsel komt.

In de evolutiebiologie speelt de aan- of juist afwezigheid van kaken een rol bij de indeling van veel diersoorten. De meeste kaken zijn voorzien van scherpe tanden, randen of hebben grote spieren waardoor ze enorm veel bijtkracht hebben. Daarom worden de kaken ook wel ter verdediging gebruikt, en sommige zijn erg berucht, sommige krokodilachtigen, honden en schildpadden laten na een beet niet meer los.

Slangen kunnen de kaak letterlijk ontwrichten, zodat ze prooien kunnen doorslikken die groter zijn dan de kop, en ook nog in een keer zonder te scheuren. Insecten en andere geleedpotigen hebben zeer complexe kaken vaak met enkele paren monddelen. Sommige vissen, zoals Muraena, hebben een tweede paar kaken in de keel. De efficiëntste kaken zijn waarschijnlijk die van de haai, hoewel veel uitgestorven haaiachtigen nóg grotere kaken hadden. Niet alleen de enorme spieren en vele tandenrijen maken indruk, ook het feit dat nieuwe tanden gedurende het hele leven aangemaakt worden en dus altijd vlijmscherp zijn maakt haaien tot geduchte roofdieren.

Bij gewervelden wordt met mandibula in het bijzonder het bot of de botten in de onderkaak aangeduid, vaak de grootste en sterkste in de kop. De onderkaak is bij de gewervelden beweeglijk ten opzichte van het cranium, de schedel in engere zin, en houdt vaak een onderste rij tanden op hun plaats.

Bij mensen bestaat de onderkaak uit een gebogen, horizontaal gedeelte en twee loodrechte gedeelten.