Spijsvertering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Spijsvertering of digestie betekent het verteren van voedsel (spijs) tot stoffen die door het lichaam kunnen worden opgenomen. Het ingenomen vreemde plantaardige of dierlijke celweefsel verliest gedurende de spijsvertering zijn specifieke cellulaire karakter. De uit de vreemde weefsels vrijgekomen koolhydraten (polysachariden, met name zetmeel) worden tijdens de spijsvertering afgebroken tot de monosacharide glucose, dat vervolgens via de bloedbaan naar de cellen in de verschillende weefsels wordt vervoerd. In de weefselcellen wordt de glucose omgezet in energie of tijdelijk opgeslagen als glycogeen. De twee andere soorten vrijgekomen biopolymeren (eiwitten en DNA) worden eveneens tot hun bouwstenen afgebroken (aminozuren voor eiwitten, o.a. purinen voor DNA). Na transport via het bloed worden deze bouwstenen in de cellen weer gebruikt voor de aanmaak van lichaamseigen eiwitten en DNA.

Het spijsverteringskanaal omvat buizen en lichaamsholten waarin het spijsverteringsproces plaatsvindt. In het maag-darmkanaal wordt het voedsel (de spijsbrij) voortgestuwd en knedend gemengd met de spijsverteringssappen door beweging van het spierweefsel van de darm: de peristaltiek.

Ingenomen voedsel legt bij de mens de volgende weg af (de nummers corresponderen met de afbeelding):

  • Mond (5): in de mond wordt het voedsel door het gebit in kleine brokjes vermalen en komt het voedsel in aanraking met speeksel. Hierin zitten bepaalde enzymen (zoals amylase) die al beginnen met het omzetten van voedsel naar voedingsstoffen. Amylase breekt zetmeel af. Hierdoor ontstaat maltose, een disacharide, die uiteindelijk verder wordt gesplitst in twee glucose- monosachariden. Ook vindt hier de absorptie plaats van ingenomen alcohol
  • Slokdarm (11): de route van de mond naar de maag. Hier wordt de zetmeelvertering voortgezet. Hier vindt tevens de absorptie plaats van ingenomen alcohol.
  • Maag (15): de maag trekt samen en mengt daardoor het voedsel. Door het zure milieu dat hier heerst, gaat een groot deel van de met het voedsel meegekomen bacteriën dood, en wordt het speekselamylase geïnactiveerd. De epitheelcellen in de maagwand produceren zoutzuur (HCl/maagzuur) en pepsinogeen, een pro-enzym. Onder invloed van zoutzuur wordt pepsinogeen omgezet in peptase, dat eiwitten afbreekt in kortere koolstofketens (polypeptiden). In de maag vindt tevens de absorptie plaats van ingenomen alcohol en aspirine.
  • Twaalfvingerige darm (19): sappen uit de alvleesklier neutraliseren de zure massa die uit de maag komt. Daarnaast zorgen de galzuren uit de galblaas voor het emulgeren van vetten zodat ze door lipase omgezet kunnen worden in vetzuren en glycerol.
  • Dunne darm (20): in de dunne darm zitten de darmvlokken. Deze nemen voedingsstoffen op in het bloed.
  • Dikke darm (23): de dikke darm neemt de laatste voedingsstoffen op, zoals galzouten, elektrolyten en water.
  • Endeldarm (29): laatste uiteinde van de dikke darm, verzamelplaats voor de ontlasting.
  • Anus (30): opening aan het eind van de endeldarm. Onverteerbare resten van de voeding en afvalproducten van de lever worden hier circa eenmaal per dag als ontlasting uit het lichaam verwijderd. Dit proces wordt defecatie genoemd.

17e-eeuwse voorstelling[bewerken]

Een 17e-eeuwse Perzische prent van het spijsverteringsstelsel


Icoontje WikiWoordenboek Zoek spijsvertering op in het WikiWoordenboek.