Kachel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandse kachel
Speelgoedkachel (rond 1900)
Duitse opzetkachel (1778)
Zelfportret tegen kachel van Emile Jean Horace Vernet
IJzeren kachel met rand voor strijkijzers
Pelletkachel

Een kachel is een verwarmingsapparaat waarin de warmte door middel van verbranding van brandstof, zoals stookolie, aardgas of een andere brandstof zoals steenkoolgas, hout, turf, bruinkool of steenkool, wordt opgewekt, of door middel van elektrische energie zoals bij een straalkachel.

Een kachel is in het algemeen geschikt voor de verbranding van één soort brandstof:

Daarnaast kan men onderscheid maken tussen convectiekachels en stralingswarmte-kachels, afhankelijk van hoe de warmte voornamelijk wordt afgegeven. Bij convectiekachels gebeurt dit voornamelijk via luchtverwarming, waarbij eventueel zelfs met een ventilator de opgewarmde lucht uit de kachel of haard wordt geblazen. Bij stralingswarmtekachels wordt de warmte eerst opgeslagen in een massa steen en vervolgens langzaam uitgestraald. Afhankelijk van de gebruikte materialen gaat het daarbij om onder andere tegelkachels, speksteenkachels, leemkachels en andere massieve stenen kachels. Niet alle tegelkachels of speksteenkachels zijn evenwel warmte-accumulerende houtkachels die voornamelijk stralingswarmte produceren. Deze namen worden ook gebruikt voor gewone convectiekachels die aan de buitenzijde met tegels of speksteen bekleed zijn.

Bekende kacheltypen waren voorts de potkachel, de kolomkachel, de salamanderkachel, de kolenhaard, de gevelkachel en de plattebuiskachel. Deze laatste is een kookkachel die als fornuis gebruikt kan worden. Fornuiskachels hebben soms een ruimte waarin brood of andere bakwaren toebereid kunnen worden. Zie ook Oven.

Eind jaren '50 van de 20e eeuw werden de meeste kolenkachels door oliekachels vervangen, terwijl einde jaren '60 van de 20e eeuw werd overgeschakeld op aardgas, aanvankelijk in de vorm van lokale verwarming, en later centrale verwarming.

Zie ook elektrische verwarming voor kachels op elektriciteit.

Een kachel is gesloten (op openingen aan de onderzijde voor de toevoer van zuurstof na), maar kan wanneer vaste brandstof zoals hout of kolen gebruikt wordt van luikjes voorzien zijn, om brandstof toe te voeren, as te verwijderen en zuurstoftoevoer te regelen. Van binnen is de kachel dan bekleed met vuurvaste steen, chamotte of vermiculiet, om de gietijzeren of stalen buitenkant tegen de hitte te beschermen, en om het verlies van warmte via de schoorsteen zo klein mogelijk te houden.

Een kachel is niet ingebouwd; een haard wel. Haarden en kachels vervullen dezelfde functie. In Duitsland kent men de Kachelofen. Dit is een met tegels beklede manshoge kachel (Kachel is het Duitse woord voor 'tegel'). Voordeel hiervan is de hoge warmtecapaciteit ervan. Het Nederlandse woord tegelkachel kan dan ook verwarrend zijn.

Geschiedenis[bewerken]

De voorloper van de kachel was de open haard. Deze bestond uit een rooster of vuurkorf, een haardplaat, en een aslade, alsmede een schoorsteenmantel met rookkanaal. De eerste echte kachels, dat wil zeggen gesloten stookinrichtingen, dateren reeds uit de 17e eeuw. Het waren doosvormige gietijzeren apparaten op poten, reeds voorzien van een kachelpijp, en benut voor de verwarming van vertrekken als kassen en oranjerieën. Hoewel ook soms in de woonhuizen van welgestelden toegepast, bleef het gebruik van deze uit Duitsland geïmporteerde toestellen sporadisch.

Pas in het begin van de 19e eeuw komt de kachel geleidelijk in zwang. In 1816 waarschuwt de arts C.J. Nieuwenhuijs voor de thans meer en meer in zwang komende verwarming door kagchels, met steenkolen bewerkt; omdat hierbij de schoorsteen zorgvuldig toegelegd, en slechts daarin eene opening voor de kagchel-pijp blijft, en alzoo de afwisseling der versche, en het opstijgen der bedorvene lucht, alsook der dampen, belemmerd wordt. Met andere woorden, het gebruik van kachels was niet bevorderlijk voor de ventilatie.

Een tussenvorm was de kachelhaard, een gietijzeren kast met open voorkant, waarbij het verbrandingsproces met een grote klep boven de vuurhaard gereguleerd kon worden. Dergelijke inrichtingen waren gedurende de 19e eeuw in zwang, aanvankelijk bij welgestelden, en de brandstof was hout of turf, hoewel in havensteden ook wel steenkool werd toegepast.

Tal van verbeteringen vonden sindsdien plaats, waarbij vooral de rendementsverbetering door circulatiemechanismen en het aanbrengen van kookkasten als bij de plattebuiskachel, de reguleerbaarheid, het vergroten van de warmtecapaciteit door het gebruik van vuurvaste bekleding en tegels, het aanbrengen van een plaatstalen mantel, het sluiten van de voorkant van de kachel, al dan niet voorzien van mica-ruitjes, en dergelijke. De vooral in de 2e helft van de 19e eeuw snel opkomende ijzergieterijen leverden tal van -in onze ogen soms bizar uitziende- typen kachels en kachelonderdelen en tal van andere, met kachels verband houdende, producten.

De opkomst van de gasfabrieken, vooral in de 2e helft van de 19e eeuw, leverde cokes als bijproduct op, dat eveneens kon worden verstookt. Pas op het eind van de 19e eeuw verscheen antraciet op de markt, aanvankelijk afkomstig uit Wales, en later vooral uit België en Duitsland afkomstig. De ontwikkeling van de Nederlandse steenkoolmijnen vanaf 1907 bracht ook de beschikbaarheid van Nederlands antraciet met zich mee. Overigens was den minderen stand, ook in de steden, in de tweede helft van de 19e eeuw nog aangewezen op turf, houtspaanders en dergelijke. De minderwaardige brandstof, in combinatie met inferieure kachels, leidde tot een slechte luchtkwaliteit. Steenkool werd, ook door armere mensen, overigens wel op kleine schaal gebruikt in stoven.

Boedelonderzoeken, uitgevoerd te Maasland, leerden dat in 1812 ongeveer 16% van de mensen over kachels beschikte, en dat na 1845 een stijging van de penetratiegraad begon. Einde 19e eeuw had 88% van de mensen een kachel. Het eerste fornuis werd gemeld in 1858, en eind 19e eeuw beschikte 60% van de mensen over een fornuis. In andere streken kon de situatie sterk verschillen, hetgeen onder meer met de mate van verstedelijking en de al dan niet beschikbaarheid van hout en turf, en cokes, te maken had. De open haard verdween na 1875 vrijwel geheel, behalve bij de plattelandsbevolking waar ze werd ingezet voor het roken van ham en spek.

Kolenkachels beheersten ook in de eerste helft van de 20e eeuw het beeld. Gaskachels, op lichtgas, waren duur vanwege de hoge brandstofkosten. Vanaf 1950 kwam de oliekachel op, maar deze werd al spoedig overvleugeld door aardgasgestookte kachels, welke vanaf 1963 in toenemende mate het beeld gingen bepalen, vooral daar waar een aardgasnet voorhanden was. Hoewel centrale verwarmingsystemen al lang bestonden voor speciale toepassingen, werd collectieve verwarming en later individuele centrale verwarming pas op grote schaal toegepast in de jaren '60 respectievelijk de jaren '70 van de 20e eeuw. De open haard werd een luxeverschijnsel.

Zie ook[bewerken]

Trivia[bewerken]

Koks zijn het woord kachel nog lang blijven gebruiken voor hun fornuis of kookplaat. Ook heden ten dage wordt dit woord, zij het sporadisch, in die zin nog gebruikt.

Bronnen[bewerken]

  • Meindert Stokroos, Verwarmen en verlichten in de negentiende eeuw, Walburg Pers, 2001. ISBN 90 5730 147 4
  • Peter van Overbeeke, Kachels, geisers en fornuizen, Keuzeprocessen en energieverbruik in Nederlandse huishoudens 1920-1975, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2001.