Kantharos van Stevensweert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kantharos van Stevensweert
Datum 19 juni 1959
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters T.Y. Boltjes, F.J. de Jong, Ph.A.N. Houwing, J.H.H. Hülsmann, Ch.J.J.M. Petit
Adv.-gen. L.P.M. Loeff
Soort zaak   civiel
Procedure cassatie
Wetgeving 1358 BW (oud)
Nieuw BW 6:228 lid 2 BW
Onderwerp   dwaling
Vindplaats   NJ 1960/59, m.nt. J.H. Beekhuis

De kantharos van Stevensweert is een archeologische vondst en tevens de aanduiding van een standaardarrest (HR 19 juni 1959, NJ 1960/59) van de Nederlandse Hoge Raad. De kantharos is een beker van ongeveer een halve kilo en schreef juridische geschiedenis. Hij werd verkocht voor 125 gulden, maar bleek later van onschatbare waarde, een archeologisch pronkstuk en ook hét voorwerp dat een kentering veroorzaakte in het Nederlands recht.

De beker is tentoongesteld in Museum Het Valkhof, in Nijmegen.

De vondst[bewerken]

Kantharos van Stevensweert

In het oorlogsjaar 1943 wordt in de uiterwaarden van rivier de Maas, ter hoogte van Stevensweert, een zilveren beker opgegraven. De vinder verkoopt deze beker aan kunstschilder Leo Rulkens die in 1949 komt te overlijden. Uit zijn nalatenschap wordt zijn beker overgedragen. De broer van de erfgename laat de beker onderzoeken door de respectabele conservator van het Nederlands Goud en Zilvermuseum, de heer Van Baaren. Deze begaat vervolgens een inschattingsfout. In een brief, geschreven in januari 1950, beschrijft hij de Kantharos als volgt: “Het voorwerp is, zoals ik U reeds schreef van zilver, voor de rest is het van weinig waarde, daar de Engelenkopjes geschonden zijn en er overal stukjes ontbreken.”

Kort na het onderzoek door de conservator laat deze de beker zien aan de heer Leo Brom, een edelsmid uit Utrecht. Deze is zich steeds meer voor de beker gaan interesseren. Hij wil de beker kopen. Voor het bedrag van 125 gulden, slechts 75 gulden meer dan de zilverprijs, wordt hij eigenaar van een stuk van onschatbare waarde.

Brom, de nieuwe eigenaar van de kantharos, maakt foto’s van zijn nieuwe bezit en laat deze zien aan de archeoloog professor C. W. Vollgraff. Per brief laat deze professor, op 20 februari 1950, zijn deskundig oordeel weten. De beker zou van Grieks-Romeinse oorsprong zijn. Brom maakt naar aanleiding van dit oordeel een studie naar de zilversmeed- en gietkunst uit deze tijd. In 1951 verschijnt er een publicatie van zijn hand waarin hij de uitzonderlijke waarde van de beker op overtuigende wijze voor het voetlicht brengt.

Rechtsvraag[bewerken]

Het duurde niet lang voordat de oorspronkelijke eigenaren lucht kregen van de publicatie. In een Limburgse krant lazen ze van de grote waarde van hun vroegere bezit. Vijf jaar na de verkoop startten ze in november 1954 een proces tegen de heer Brom. Inzet van de zaak was het vernietigen van de koopovereenkomst tussen de heer Brom en de oorspronkelijke eigenaren, mevrouw Schoonenberg en de heer van der Linden. Deze zaak, die om meerdere redenen uitzonderlijk is, weet zich voort te slepen tot de Hoge Raad, Nederlands hoogste rechtscollege.

De verkopers beroepen zich jegens de kopers op dwaling. Het is de vraag of de koper ten tijde van de koop op de hoogte was van de uitzonderlijke waarde. Een verkoper, die zich jegens de koper beroept op dwaling, komt zelden voor. Dwaling is een wilsgebrek. Als gevolg van een valse voorstelling van zaken doet de dwaler iets, wat hij bij een juiste voorstelling niet zou hebben gedaan. Over het algemeen komt deze situatie voor in de vorm van koper tegen verkoper.

In deze zaak gaat het erover wat de koper zich ten tijde van koop voorstelde of redelijkerwijs mocht voorstellen, wat betreft zijn aankoop. Van dwaling was zeker sprake, aangezien zeer waarschijnlijk zowel koper als verkoper van de onjuist gebleken veronderstelling uitging dat de beker weinig waardevol was. Een geval als dit wordt omschreven als wederzijdse dwaling.

Arrest van de Hoge Raad[bewerken]

Een beroep op dwaling kan echter mislukken als volgens in het verkeer geldende opvattingen de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te komen. De Hoge Raad heeft hier uiteindelijk een oordeel over geveld bij arrest van 19 juni 1959. Op het moment dat de verkoper een speculatief object verkoopt, geeft de verkoper naar in het verkeer gangbare opvattingen, de mogelijkheid prijs dat hij er (nogmaals) aan verdient, als het object naderhand een hogere waarde blijkt te hebben. Een vergissing over de waarde van het object kan dus niet worden teruggedraaid.

De Hoge Raad overwoog:

Aanhalingsteken openen

In dit geding is aan de orde de vraag of de verkoper, op den enkelen grond dat de zaak een eigenschap blijkt te bezitten waarvan hij ten tijde van den verkoop geen vermoeden kon hebben, vernietiging van de overeenkomst kan vorderen indien aannemelijk is dat hij bij bekendheid met den waren toestand de zaak niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben verkocht; dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat naar redelijke, in het verkeer gangbare opvatting degene die een hem toebehorende zaak tegen een overeengekomen contraprestatie van de hand doet, daarmede de kans prijsgeeft dat de zaak achteraf zal blijken hoedanigheden te bezitten waaraan hij ten tijde van den verkoop geen vermoeden kon hebben; dat het bovenoverwogene niet uitsluit, dat in gevallen als het onderhavige ‘een beroep op dwaling’ door nevenomstandigheden wordt gerechtvaardigd, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan het geval dat de koper den verkoper omtrent de eigenschap der zaak had kunnen inlichten en daartoe, naar de eisen van de goede trouw, gehouden was, hoedanige nevenomstandigheden zich te dezen blijkens 's Hofs arrest niet voordoen.

Aanhalingsteken sluiten

Dit neemt niet weg dat er juridische vragen overblijven. De aangevoerde vorm van dwaling was relatief nieuw en bracht dan ook een stroom van publicaties op gang.

Procesgang[bewerken]

Voordat de Hoge Raad tot zijn eindoordeel kwam, had een lagere rechter een ander beeld van de zaak. De heer Brom hield de hele procedure vol, dat hij geen idee had van de uitzonderlijke waarde van de beker. De rechtbank van Utrecht zette hier vraagtekens bij. De rechter oordeelde dat de overeenkomst moest worden vernietigd en teruggave van de beker werd gevorderd. Het hoger beroep pakte beter uit voor Brom, want het hof sprak van wederzijdse dwaling. Noch de koper, noch de verkoper zou op de hoogte geweest zijn van de uitzonderlijke waarde. De overeenkomst bleef in stand. De laatste rechtsgang, cassatie bij de Hoge Raad, hield dit oordeel in stand. Brom bleef de eigenaar van de beker.