Kerstboomverlichting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kerstboomlampje, losgenomen uit het plastic fittinkje. De kortsluitvoorziening is gerealiseerd door middel van het ringetje rond de interne steundraadjes.
Snoer uit de knoop halen; begin bij een lus die niet doorkruist wordt
Deelbare stekker kerstboomverlichting circa 1980, veiliger dan de banaansteker

Kerstboomverlichting is een soort kerstverlichting voor in een kerstboom.

Geschiedenis[bewerken]

In 1882 werd voor het eerst een elektrische verlichting aangebracht in een echte kerstboom. Dat werd gedaan door Edward Johnson, een collega en vriend van Thomas Edison.

Tot in de jaren vijftig van de 20e eeuw werd kerstboomverlichting over het algemeen uitgevoerd met kaarsjes in kaarsenhoudertjes die op de kerstboomtakken waren geklemd. Vanwege brandgevaar stond er vaak een emmer bluswater of zand naast de kerstboom. In sommige huishoudens was dit tot in de jaren zeventig (of zelfs nog later) gebruikelijk en thans worden ze nog steeds verkocht.

Vanaf de jaren 50 kwam elektrische kerstboomverlichting met kleine gloeilampjes met de vorm van kaarsvlam en een lamphouder in de vorm van een kaars. Tegenwoordig bestaan er zeer vele varianten in vorm, lengte en kleur. De eerste snoeren bevatten doorgaans 12 tot 24 lampjes, terwijl moderne snoeren vaak wel tot 200 miniatuurlampjes bevatten. Ook bij de kerstverlichting komt de Ledlamp in zwang: in vele kleuren verkrijgbaar, gebruikt minder stroom en gaat langer mee.

Constructie[bewerken]

Een typisch verlichtingssnoer bestaat meestal uit een rondlopende draad met lampjes, waarvan begin en eind eindigt op een stekker voor een 230 V stopcontact. Dit is veiliger dan twee losse contactstekers omdat in het laatste geval er kans zou zijn op een elektrische schok indien een der stekers eerst in de spanningvoerende pool gestoken wordt. Het hele snoer, inclusief de losse steker, staat op dat moment op een spanning van 230 V.

Bij de meeste kerstboomverlichtingssnoeren zijn de lampjes in serie geschakeld. Het gevolg daarvan is dat als één lampje uitvalt het hele snoer in principe stroomloos en dus onbruikbaar is. Bij de wat modernere snoertypes met grote aantallen lampjes heeft men dit probleem ondervangen door in elk lampje een kortsluitverbindinkje aan te brengen dat zich binnen het glazen lichaam van het lampje tussen de steunpennetjes van de gloeidraad bevindt. Indien een gloeidraadje doorbrandt valt op dat moment de netspanning geheel over de betreffende steunpennetjes, want door de weggevallen stroom is dan de spanningsval over alle andere, nog intacte, lampjes nul volt geworden. Het kortsluitdraadje treedt dan in werking doordat de gebrekkige isolatie tussen dat metalen voorwerp en de steunpennetjes de dan aanwezige netspanning niet houdt; de stroomkring is daardoor weer gesloten. Consequentie kan zijn dat door het verminderd aantal functionerende gloeidraadjes de stroom wat toeneemt, waardoor de levensverwachting van de resterende lampjes daalt. Daarom is het zinvol om niet brandende lampjes te vervangen. Het is om deze reden aan te raden om voordat je de verlichting in de boom hangt, deze eerst even aan te sluiten op het stopcontact om te controleren of alle lampjes nog branden. Op deze manier kunnen eventuele niet brandende lampjes meteen worden vervangen voordat je de verlichting gaat gebruiken. Hiervoor worden vaak één of meer reservelampjes meegeleverd met het snoer. Branden echter veel lampjes niet, dan kun je beter het hele snoer weggooien en vervangen door een nieuw snoer. Op deze manier voorkom je veel ellende tijdens de kerstperiode, zoals bv. kortsluiting met brandgevaar als gevolg.