Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap of afgekort KNAG is een genootschap voor alle geografen in Nederland en voor diegenen die zich met het vakgebied geografie verbonden voelen.

Het KNAG houdt lezingen over aardrijkskundige onderwerpen, het bespreekt wat er voor lesstof in het vak aardrijkskunde gegeven wordt. Er is ook een aardrijkskunde olympiade, maar die wordt door een aparte stichting georganiseerd.

Geschiedenis[bewerken]

Oprichting en expeditietijdperk[bewerken]

Eerste voorzitter P.J.Veth

De organisatie werd opgericht in 1873 in navolging van andere westerse mogendheden, zoals Frankrijk (1821: Societé de Géographie de Paris), Engeland, (1830: Royal Geographical Society), Duitsland (Berlijn 1828, Frankfurt 1836, München 1869, Bremen 1870, Hamburg 1873, Leipzig 1861) en België (Antwerpen en Brussel 1876). In die tijd was Nederland slechts een fractie van wat ze daarvoor was geweest als economische grootmacht. De ontevredenheid daarover (de Nederlanders waren een trots volk geworden door de Gouden Eeuw) bij onder andere kooplieden en wetenschappers en de aantrekkelijkheid van het vinden van rijke hulpbronnen in de toen nog nauwelijks ontgonnen koloniën waren achterliggende oorzaken voor het ontstaan van de organisatie. Deze gedachtegang moet vooral gezien worden in de toen geldende geest van het imperialisme en kolonialisme, waarbij de 'verlichte' Europeaan een 'onontgonnen' en 'woest' landschap met dito volkeren kon omzetten in een 'bruikbare beschaving'. Hierdoor was het gerechtvaardigd om dergelijke expedities, met soms verstrekkende gevolgen voor de lokale bevolking en gebied op lange termijn, uit te voeren. De tijd waarin de organisatie werd opgericht (1873 met Pieter Johannes Veth als eerste voorzitter) wordt Geografisch ook wel aangeduid als "de grote stroomversnelling" om de enorme versnelling die de discipline Geografie vooral maatschappelijk doormaakte.

De organisatie was voor die tijd vrij modern, praktisch en maatschappelijk van opzet. De organisatie die tot 1888 "Aardrijkskundig Genootschap" heette, organiseerde vanaf 1877 talrijke expedities naar vooral Nederlandse koloniale plaatsen, zoals de talrijke eilanden van de archipel van Nederlands-Indië en de binnenlanden van Suriname en Borneo (zie hiervoor de expedities van dr. Anton Willem Nieuwenhuis). Deze koloniale gebieden waren voor een groot deel vaak niet meer dan een aantal bestuursposten aan de kust, waarvanuit handel werd bedreven met stammen uit de binnenlanden. Deze binnenlanden waren nog nauwelijks in kaart gebracht en werden vaak aangeduid als "witte vlekken". Er werden ook expedities uitgevoerd naar de gebieden van de Nederlandse Boeren in het binnenland van Zuid-Afrika en naar de inheemse volken (toen indianen genoemd) van Noord-Amerika. Deze expedities werden vaak opgezet in samenwerking met het koloniale bedrijfsleven en koloniale organisaties, zoals de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën (MNK) en de Vereniging voor Suriname en er gingen vaak jaren aan voorbereiding aan vooraf. Meestal bestond een dergelijke expeditie uit wetenschappers uit verschillende disciplines, een fotograaf en een marineofficier. De militaire begeleiding nam toe naarmate er meer vijandigheden werden geconstateerd tegenover leden van de expeditie door lokale inheemse bewoners.

Poolexpeditie KNAG, 1882-1883

Niet alleen de koloniën werden bezocht. Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw verschillende Europese landen expedities naar het Arctisch gebied zonden vonden sommigen dat Nederland niet achter kon blijven. Binnen het Aardrijkskundig Genootschap werd een flinke lobby opgezet om een Nederlandse expeditie te lanceren. Tijdens vergaderingen hielden mannen als Koolemans Beijnen en Marin Jansen toespraken, terwijl in het Tijdschrift van het genootschap pittige pleidooien verschenen.[1] Hoewel er enige twistpunten tussen het organiserend comité en het AG bestonden lanceerde die laatste toch een nationale collecte, die genoeg geld opbracht om een schoener te laten bouwen en uit te rusten. In 1878 begaf de Willem Barents zich voor het eerst in noordelijke richting, om onder leiding van luitenant ter zee De Bruyne Spitsbergen, Jan Mayen en de westkust van Nova Zembla te verkennen. In 1882 zou het AG opnieuw een poolexpeditie steunen, en wel de wetenschappelijk onderneming in het kader van het internationale pooljaar de Nederlandse poolexpeditie 1882-83.

De leden van de organisatie waren niet alleen wetenschappers. Ook de politieke elite (ministers, Kamerleden en (oud-)gouverneur-generaals van Nederlands-Indië) en de commerciële elite (bankdirecteuren, fabriekseigenaren, reders en kapiteins van de koopvaardij) waren lid. De economische maar ook de politieke belangen waren groot. Als een expeditie gegevens had over een gebied konden zowel routes voor de verplaatsing van bijvoorbeeld steenkool of bauxiet worden opgezet, maar ook konden gebieden onder effectief politiek bestuur worden geplaatst, die daarvoor slechts nominaal bestuurd werden.

De expedities eindigden in 1959 met de Sterrengebergte-expeditie in Nederlands Nieuw-Guinea, waar het laatste onbekende gebied in kaart werd gebracht en de Juliana-top (nu: Puncak Mandala) werd beklommen.

De verstrengeling met economische belangen was sommige wetenschappers in Nederland, net als overigens in andere landen, een doorn in het oog en na verloop van tijd richtten deze wetenschappers eigen organisaties op. In Nederland waren dit de Vereeniging voor Economische Geographie (1909; eerste tijdschrift voor economische geografie ter wereld) en de Geographische Kring (1917; later Geografische Vereniging).

1960 tot nu[bewerken]

In de jaren '60 keerde het tij voor alle organisaties. Men raakte beschaamd over haar koloniale verleden onder invloed van de veranderende maatschappij. De belangrijkste koloniën werden onafhankelijk (Nederlands-Indië in 1949; Nederlands Nieuw-Guinea werd in 1962 een deel van Indonesië) en de expedities waren gestopt. In 1967 gingen de Vereeniging voor Economische Geographie en de Geografische Vereniging op in het KNAG 'nieuwe stijl'. De economische achtergrond was verdwenen en de organisatie richt zich sindsdien wetenschappelijk op alle terreinen van de geografie en op het aardrijkskundeonderwijs op middelbare scholen. Bij het 130-jarig bestaan in 2003 werd met een tentoonstelling in het Tropenmuseum en een bijbehorende publicatie teruggekeken op het expeditie-verleden van de organisatie. In 2005 geeft het genootschap samen met het Nederlands Instituut voor Militaire Historie de Grote Atlas van Nederland (1930-1950) uit.

Het KNAG bestaat momenteel uit ongeveer 3300 leden. De organisatie geeft twee tijdschriften uit:

  • Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie (Engelstalig, internationaal wetenschappelijk blad) [1]
  • Geografie (Vaktijdschrift voor Nederlandse Geografen) [2]

De organisatie bezit ook een uitgebreide collectie kaarten (bijna 135.000) en atlassen (4500). Deze collectie wordt sinds 1880 bewaard in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en bevat materiaal uit de 16e eeuw.

Externe links[bewerken]

Noten

  1. W. Mörzer Bruyns, De eerste tocht van de Willem Barents naar de Noordelijke IJszee (Zutphen, 1985).

Bronnen

  • Pater, Ben de & Herman van der Wusten, Het geografische huis, de opbouw van een wetenschap. Bussum: Couthino, 1996. ISBN 9062830382
  • Wentholt, Arnold (red.), In kaart gebracht met kapmes en kompas; met het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap op expeditie tussen 1873 en 1960. Heerlen/Utrecht: ABP/KNAG, 2003.