Latijnse grammatica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De grammatica van het Latijn bepaalt de zinsbouw en morfologie van de Latijnse taal.

De woordvolgorde is zeer flexibel omdat de taal in grote mate flecterend is. Er zijn zes naamvallen (soms zeven, één naamval, de locativus, is rudimentair geworden) en een uitgebreid stelsel van tijden en toestanden voor het vervoegen van werkwoorden. (zie ook: Algemene Latijnse vervoeging)

Over het algemeen is er in proza wel een vaste woordvolgorde, waarbij het werkwoord (meestal de persoonsvorm) vaak het laatste woord van de zin is. Het onderwerp staat meestal voorop (na eventuele vragende voornaamwoorden of andere kortere bepalingen van tijd of wijze), de rest van de zinsdelen staat ertussen. Ook worden bij elkaar horende zinsdelen, zoals zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, slechts bij uitzondering van elkaar gescheiden.

In poëzie is dit anders; vanwege het metrum en bepaalde door de dichter verlangde stijlfiguren zal de woordvolgorde hier erg anders zijn dan in proza. Zo kunnen bijvoorbeeld, zolang dat niet tot onduidelijkheid leidt, bij elkaar horende bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden van elkaar worden gescheiden, en kan zelfs het werkwoord daartussen staan.

Zie ook[bewerken]