Lignocerinezuur
| Lignocerinezuur | ||||
|---|---|---|---|---|
| Structuurformule en molecuulmodel | ||||
| Algemeen | ||||
| Chemische formule | C24H48O2 | |||
| IUPAC-naam | n-tetracosaanzuur | |||
| Molaire massa | 368,63 g/mol | |||
| SMILES | O=C(O)CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC | |||
| InChI | 1/C24H48O2/c1-2-3-4-5-6-7-8-9-10-11-12-13-14-15-16-17-18-19-20-21-22-23-24(25)26/h2-23H2,1H3,(H,25,26) | |||
| CAS-nummer | 557-59-5 | |||
| EG-nummer | 209-180-7 | |||
| PubChem | 11197 | |||
| Wikidata | Q422634 | |||
| Vergelijkbaar met | Beheenzuur | |||
| Fysische eigenschappen | ||||
| Aggregatietoestand | vast | |||
| Smeltpunt | 87,5 °C | |||
| Slecht oplosbaar in | water | |||
| Tenzij anders vermeld zijn standaardomstandigheden gebruikt (298,15 K of 25 °C, 1 bar). | ||||
| ||||
Lignocerinezuur is een carbonzuur, een onvertakt verzadigd vetzuur met formule C23H47COOH.
Voorkomen
[bewerken | brontekst bewerken]Het is als vrij vetzuur, alcohol (tetracosanol) of in estervorm slechts in zeer lage concentraties aanwezig in gebruikelijke commerciële plantaardige oliën, behalve pindaolie waarvan het ongeveer 1% uitmaakt. De olie afkomstig uit de zaden van Adenanthera pavonina L. (Engelse naam: red sandalwood tree) bevat tot 25% lignocerinezuur; andere mogelijke bronnen zijn carnaubawas (30%) en rijstzemelenwas (rice bran wax) (40%). De residu's van het sulfaat- of Kraft-proces voor het maken van cellulose uit hout bevatten natriumzouten van vetzuren, waaronder lignocerinezuur.[1]
De olie die uit de dunne pel rond pinda's bekomen wordt, is een potentiële commerciële bron van beheenzuur en lignocerinezuur.[2]
Toepassing
[bewerken | brontekst bewerken]Samen met het vergelijkbare vetzuur beheenzuur kan lignocerinezuur in cosmetica gebruikt worden omwille van de bevochtigende en verzachtende werking. Het zou kunnen gebruikt worden in hairconditioners, huidcrèmes en -oliën.[1]