Mijnbouw in China

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In China is mijnbouw een belangrijke bron van inkomsten. Naast steenkool wordt er onder andere aardolie, aardgas, goud, uranium en andere metalen gewonnen.

Steenkool[bewerken]

Steenkoolproductie in China in de jaren 1981-2009. Bron: BP Statistical Review of World Energy 2010

China is de grootste steenkoolproducent van de wereld. In 2009 werd ruim 3 miljard ton steenkool gemijnd, een aandeel van 45% in de globale productie. Na het jaar 2000 heeft de productie een sterke stijging laten zien; voor dat jaar lag de productie op ruim 1 miljard ton, maar dat is in een decennium verdrievoudigd. Vooral mijnen die gelieerd zijn aan de overheid, hebben aan deze enorme groei bijgedragen. Het totaal aan bewezen steenkoolreserves in China wordt geschat op 114,5 miljard ton[1].

De meeste steenkool wordt gewonnen in ondergrondse mijnen, het aandeel van dagbouw ligt op ongeveer 20%. De belangrijkste provincies voor de steenkoolwinning zijn: Binnen-Mongolië, Shanxi en Shaanxi met een productieaandeel van 20%, 20% en 10% respectievelijk in 2009. De belangrijkste consumptiecentra van steenkool liggen aan de oostkust en in het zuiden van China. Het vervoer gaat veelal per spoor direct naar de afnemer of naar de zeehavens om vandaar per schip verder vervoerd te worden. De zeehaven Qinhuangdao is het belangrijkste steenkoolknooppunt. Voor het transport op korte afstanden worden ook veel vrachtwagens ingezet.

Twee oost-westspoorlijnen zijn van groot belang, namelijk de:

  • Daqinlijn: deze verbindt de Chinese stad Datong in Shanxi met de zeehaven Qinhuangdao, een afstand van 653 kilometer. Deze lijn heeft een transportcapaciteit van ruim 300 miljoen ton steenkool op jaarbasis. Er bestaan plannen om de capaciteit uit te breiden tot 450 miljoen ton in 2013;
  • Shenhuanglijn: deze ligt tussen Shenmu in Shaanxi en de de havenstad Huanghua. Dit is de tweede belangrijke verbinding met een lengte van 853 kilometer. China Shenhua Energy is de eigenaar van de lijn[2]. De capaciteit was ongeveer 140 miljoen ton in 2009; ook hier bestaan plannen voor een verhoging tot 200 miljoen ton in 2014.

De grootste verbruikers van steenkool zijn de elektriciteitscentrales.

Aardolie en aardgas[bewerken]

Organisatie[bewerken]

In 1955 werd het Ministry of Petroleum Industry (MPI) opgericht en verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een eigen Chinese olie-industrie.[3] Het kreeg aanvankelijk technische hulp van de Sovjet-Unie er er werden snel successen geboekt. Eind jaren vijftig werd een zeer groot olieveld bij Daqing in het noordoosten van het land aangeboord.[3] Begin jaren zestig staakte de Sovjet-Unie de samenwerking en China stond er alleen voor. Pas ruim tien jaar later verbeterden de internationale betrekkingen en buitenlandse technologie werd weer bereikbaar.

In 1982 werd China National Offshore Oil Corporation opgericht om voor de kust van China naar olie en gas te boren.[3] In 1983 ging de ministeries van petroleum, chemie en textiel op in de China National Petrochemical Corporation (Sinopec). In 1988 werd het MPI opgeheven en alle taken en verantwoordelijkheden gingen over naar de China National Petroleum Corporation (CNPC). CNPC bleef vooral gericht op de olie- en gaswinning en bij Sinopec lag de nadruk op raffinage en de distributie van olieproducten. In 2003 domineerden deze twee de hele oliesector met een aandeel van 90% in de nationale olieproductie en van 75% voor de distributie van olieproducten.[3] PetroChina werd losgeweekt uit CNPC kreeg een beursnotering in april 2000, Sinopec volgde zo’n zes maanden later en CNOOC kwam in februari 2001 op de beurs.[3] Van deze drie zijn de aandelen in meerderheid nog steeds in staatshanden.

Oliereserves en -productie[bewerken]

De Chinese oliereserves werden per eind 2014 getaxeerd op 18,5 miljard vaten, of 2,5 miljoen ton, dit is ongeveer 1,1% van de oliereserves wereldwijd.[4] De reserves zijn voldoende groot om het huidige productie nog 12 jaar te continueren. In 2014 werd 4,25 miljoen vaten olie per dag geproduceerd, dit is gelijk aan 5% van het wereldtotaal.[4] PetroChina is met een productie van 2,5 miljoen vaten per dag veruit de grootste van de drie nationale bedrijven. China is met zo’n 7 miljoen vaten per dag een van de grootste olie-importeurs ter wereld daar de consumptie in 2014 op ruim 11 miljoen vaten lag. De meeste olie wordt geïmporteerd uit het Midden-Oosten gevolgd door West-Afrika en Rusland en andere ex-Sovjet-Unie staten.[4]

De oudste en belangrijkste offshore olievelden liggen in de Bohaizee. Verder heeft CNOOC veel reserves aangeboord in de Zuid Chinese Zee direct ten oosten van het eiland Hainan. De olievelden voor de kust van China liggen in zeer ondiep water. In de Bohaizee liggen de velden in waterdiepten tot maximaal 30 meter en in de Zuid Chinese Zee is de maximale waterdiepte zo’n 300 meter.[5]

Gasreserves en -productie[bewerken]

De Chinese gasreserves werden per eind 2014 berekend op 3500 miljard m3, dit is ongeveer 1,8% van de globale gasreserves.[4] De reserves zijn voldoende groot om het huidige gasproductie nog 25 jaar te continueren. In 2014 werd 134 miljard m3 per dag geproduceerd, dit is gelijk aan 7,7% van het wereldtotaal.[4]

Zeldzame aardmetalen[bewerken]

Wereldwijde productie 1950-2000

Zeldzame aardmetalen is een verzamelnaam voor zeventien zware scheikundige elementen die in en op de aarde voortkomen. Aardmetalen komen maar op een paar plaatsen in winbare hoeveelheden voor, het grootste gedeelte van de bekende voorraden zijn te vinden in China. De bewerking van de aardmetalen uit de ertsen is kostbaar en is sterk milieuvervuilend. China is sinds de jaren negentig veruit de grootste producent. In 2009 produceerde het land 120.000 ton aardmetalen, een aandeel van 95% wereldwijd. China is ook de belangrijkste exporteur. Sinds 2008 voert de Chinese overheid een beleid om kleine mijnen te sluiten om uitputting van de reserves te vertragen en het milieu te sparen. In 2009 daalde de productie met 9% ten opzichte van het jaar ervoor. In juli 2010 werden de exportquota voor het tweede halfjaar 2010 verlaagd van 51.150 ton naar 30.500 ton. Dit heeft geleid tot forse prijsstijgingen; dysprosium was 40% duurder geworden in het derde kwartaal 2010. De vraag naar aardmetalen is relatief prijsinelastisch. Ze worden vooral gebruikt in technologisch hoogwaardige producten. Japan is de grootste importeur[6].

Gevaren van mijnbouw in China[bewerken]

Veel mijnen zijn gevaarlijk. De overheid probeert weliswaar mijnen te sluiten, maar door de cultuur van smeergeld en corruptie gaan deze vaak later weer open. De enorme vraag naar energie speelt hierbij een grote rol. Jaarlijks sterven volgens een artikel in Het Parool zo'n 20.000 kompels of mijnwerkers. Andere bronnen houden het op enkele duizenden doden per jaar.

Naast de door de overheid gecontroleerde mijnen, zijn er ook naar schatting 28.000 particuliere mijnen die nauwelijks te controleren zijn.

De inschatting over het aantal doden bij ongelukken loopt echter sterk uiteen. De Chinese staatstelevisie meldde bij de mijnramp in Shaanxi van 28 november slechts ongeveer 50 doden, terwijl de westerse media over 166 doden spraken.

Externe links[bewerken]