Sneeuwvink
| Sneeuwvink IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2024) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Sneeuwvink in winter | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Montifringilla nivalis (Linnaeus, 1766) | ||||||||||||
Verspreidingsgebied van de sneeuwvink ■ permanent leefgebied (groen)
■ niet-broedgebied (blauw)
| ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Sneeuwvink op | ||||||||||||
| ||||||||||||
De sneeuwvink (Montifringilla nivalis) is een zangvogel uit de familie Passeridae (mussen en sneeuwvinken). De naam van de soort werd, als Fringilla nivalis, voor het eerst geldig gepubliceerd door Linnaeus in 1766.[2]
Kenmerken
[bewerken | brontekst bewerken]Het formaat is ongeveer 18 centimeter (16,5-19), groter dan de huismus. Lijkt oppervlakkig op de sneeuwgors, maar verschilt daarvan door de grijze kop en de zwarte keel. De rug is het gehele jaar bruin, de onderdelen witachtig. De vleugels zijn wit, met zwarte handpennen en duim. De twee binnenste staartpennen zijn zwart, de overige wit, met smalle zwarte eindband. De snavel is gedurende het broedseizoen zwart, in herfst en winter geel. Buiten het broedseizoen verliest de vogel ook de zwarte keel. Geslachten zijn uiterlijk vrijwel gelijk; vrouwtjes en juvenielen zijn iets doffer gekleurd.[3]
Voedsel
[bewerken | brontekst bewerken]Voedt zich voornamelijk met zaden, ook wel met insecten.
Nest
[bewerken | brontekst bewerken]De vogels maken hun nest in holtes en spleten en in verlaten holen van knaagdieren. De legselgrootte is drie tot vijf eieren. De broedtijd bedraagt dertien tot veertien dagen; de jongen blijven daarna nog ongeveer twintig dagen in het nest. De jongen worden hoofdzakelijk met insectenlarven gevoed. Het aantal broedsels per seizoen is een of twee.

Verspreiding
[bewerken | brontekst bewerken]Sneeuwvinken komen voor als standvogel in de Pyreneeën, de Alpen en de Balkan, en buiten Europa in het hoogland van Turkije, de Kaukasus, in Centraal-Azië en het westen van China, in de zomer boven 1800 meter, in de winter ook lager, tot 1000 meter. In Nederland uitsluitend als dwaalgast.
De soort telt zeven ondersoorten:[4][5]
- M. n. nivalis: Zuid-Europa
- M. n. leucura Bonaparte, 1855: Zuid- en Oost-Turkije
- M. n. alpicola (Pallas, 1811): Kaukasus en Noord-Iran
- M. n. gaddi Zarudny & Loudon, 1904: Zuidwest-Iran
- M. n. tianshanica Keve-Kleiner, 1943: Oost-Kazachstan en Noord-Tadzjikistan
- M. n. groumgrzimaili Zarudny & Loudon, 1904: Noordwest-China en Centraal-Mongolië
- M. n. kwenlunensis Bianchi, 1908: Centraal-China en Noord-Tibet
Status
[bewerken | brontekst bewerken]De grootte van de populatie is in 2021 geschat op 1,7-7,4 miljoen volwassen vogels. Op de Rode lijst van de IUCN heeft deze soort de status niet bedreigd.[1]
- 1 2 (en) Sneeuwvink op de IUCN Red List of Threatened Species.
- ↑ Linnaeus, C. (1766). Systema naturae ed. 12(1): 321
- ↑ Peterson, R., Mountfort, G. & Hollom, P.A.D. (1976). Petersons vogelgids, 13e druk
- ↑ (en) Gill F, D Donsker & P Rasmussen (Eds). 2025. IOC World Bird List (v15.1).
- ↑ (en) Avilist: The Global Avian Checklist, v2025.