Moordkruis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Moordkruis uit 1542 op de dijk bij Druten

Een moordkruis, ook wel boetekruis, doodslagkruis, memoriekruis of zoenkruis genoemd, is een monument voor de slachtoffer(s) van een gewelddaad zoals moord of doodslag en is geplaatst door de dader of diens familie als blijvend aandenken en als blijk van respect van de dader voor de slachtoffers. Het gebruik heeft wellicht zijn oorsprong bij de Germanen, die de bloedwraak kenden, maar waar de dader deze bloedwraak kon afkopen bij de nabestaanden van het slachtoffer. Als bewijs hiervan werd een gedenkteken opgericht.

In het Duitse Rijk was het zeer gebruikelijk om op de plaats van een doodslag een gedenkteken op te richten. Dit gebruik is ook bekend in de graafschappen Vlaanderen, Holland en Zeeland. Voor graaf Floris V was op de plaats waar hij was doodgeslagen een groot houten kruis opgericht, dat bijna honderd jaar na de misdaad nog steeds in ere werd gehouden. In 1544 werd op het Buitenhof een ijzeren kruis werd opgericht op de plaats waar volgens de overlevering Willem Cuser en Aleid van Poelgeest waren doodgeslagen.

Nog tot in de zeventiende eeuw kon een rechter in de Nederlanden een veroordeelde als bijkomende straf de verplichting opleggen tot het oprichten van een 'zoenkruis'. Soms vermeldt het gedenkteken naast de naam van het slachtoffer iets over de toedracht van de daad en een oproep tot gebed.

In de 19e en 20e eeuw zijn ook moordkruisen geplaatst door nabestaanden van slachtoffers. Het aspect van boetedoening is hierbij verdwenen, de kruisen dienen uitsluitend als eerbetoon aan de slachtoffers en als markering van de plaats waar het delict heeft plaatsgevonden.

Voorbeelden[bewerken]

Voorbeelden van moordkruisen zijn te vinden te:

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • 'Eikelhof. Het moordkruis van Boxbergen', in: Verhalen van stad en streek: Sagen en legenden in Nederland/ W. de Blécourt, R.A. Koman [et al.]. Bert Bakker 2010, pp. 166-167.
  • Corien Glaudemans, Om die Wrake wille. Eigenrichting, veten en verzoening in laat-middeleeuws Holland en Zeeland (Hilversum 2004) p. 244-246.