Naäman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Elisa weigert de geschenken van Naäman, Pieter de Grebber, 1637 (Frans Hals Museum).

Naäman was een Aramese, (Statenvertaling: Syrische) legeroverste die leed aan melaatsheid (huidvraat). Hij werd door de profeet Elisa van deze huidziekte genezen.

Het verhaal[bewerken]

Ondanks zijn hoge positie in het leger van het Aramese Rijk droeg Naäman het geheim van zijn melaatsheid met zich mee. Melaatsen werden gemeden, vanwege besmettingsgevaar, wat ook in de joodse wetten gedocumenteerd is. De slavin van Naämans vrouw (een jong meisje zonder naam) is afkomstig uit Israël. Zij verwijst haar meester door naar de profeet Elisa. De koning van Syrie, stuurt hem daarop met een brief naar de koning van Isreal. Van beide koningen, wordt geen naam genoemd in het verhaal. Deze leest de brief, waarin staat, dat hij moet zorgen dat Naaman genezen wordt. De koning schrikt en vraagt zich af of hij een god is, die mensen genezen kan. De profeet Eliza hoorde hiervan en vroeg de koning Naaman naar hem te sturen. Aangekomen bij Elisa's huis, komt Elisa niet naar buiten, maar laat door zijn dienaar zeggen, dat Naaman zich 7 maal moet onderdompelen in de rivier de Jordaan. Naaman wordt boos, omdat hij had verwacht, dat de profeet zelf naar buiten zou komen, om hem de handen op te leggen en te genezen. Hij weigert aanvankelijk in de Jordaan te baden: "Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden?". Zijn knechten overtuigen hem door te zeggen, dat hij het zeker had gedaan als de profeet iets moeilijks gevraagd had. Na zijn bad in de Jordaan is zijn huid weer gaaf als die van een kind en hij wil de profeet met geschenken bedanken. Elisa weigert het geschenk van Naäman aan te nemen.