Naasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het recht van naasting is een zakelijk recht dat de houder ervan het recht geeft als eerste een zeker goed te kopen. Een voorbeeld uit het oud-Hollands recht is het recht van naasting op grond in erfpacht: wanneer het stuk grond van erfpachter wisselde, had de eigenaar het recht om dit stuk grond voor de afgesproken prijs over te nemen in plaats van de beoogde koper. Ook kwam het voor dat het recht van naasting door familieleden van de verkoper kon worden uitgeoefend; men kon zich dan als familielid in de plaats van de beoogde koper stellen en voor de overeengekomen prijs het onroerende goed aankopen. Wel moest men dan ook de door de aanvankelijk beoogde koper gemaakte onkosten vergoeden. Het recht komt niet meer voor in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek van 1838, en kon niet meer nieuw worden gevestigd, maar ook daarna kon het nog worden uitgeoefend wanneer de oorspronkelijke overeenkomst onder het oude recht tot stand was gekomen. De dertiende penning kende aanvankelijk ook een naastingsrecht.

Een ander voorbeeld, meer in de bestuursrechtelijke sfeer, zijn de concessies die in de negentiende eeuw door veel overheden waren uitgeven aan bedrijven om openbare diensten te verlenen (bijvoorbeeld openbare telefonie): onder bepaalde voorwaarden had de concessieverlener dan het voorkeursrecht om de infrastructuur van het bedrijf op te kopen. Zo werd het interlokale telefoonnetwerk van de eerste Nederlandse telefoonmaatschappij, de NBTM, in 1913 door het Rijk genaast. In 1948 werden de aandelen van De Nederlandsche Bank bij wet door de Nederlandse staat genaast. In deze voorbeelden is naasting feitelijk een vorm van nationalisatie.