Naatje van de Dam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Eendracht op de Dam, circa 1890 tot 1900

Naatje van de Dam of Naatje op de Dam, officieel De Eendracht, is het Nationaal Monument dat tussen 1856 en 1914 op de Dam in Amsterdam tegenover het Paleis op de Dam stond.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Vijfentwintig jaar na de Tiendaagse Veldtocht begonnen enkele oud-strijders zich sterk te maken voor de oprichting van een nationaal monument. Het zou een herdenking zijn aan de veldtocht, maar tevens een symbool van de volksgeest van 1830-1831 en Nederlandse eendracht. Ondanks weinig draagvlak werd een prijsvraag uitgeschreven voor zulk een monument. Kunstenaar Paul Tétar van Elven, bekend van de paleislantaarns, maakte het voetstuk. In 1856 was dit gereed.

Het beeld zelf[bewerken]

De Eendracht werd door Louis Royer, van oorsprong een Vlaming, gemaakt. Al eerder had hij voor de stad Amsterdam de beelden van Rembrandt en Vondel gemaakt. Toch blijft het opmerkelijk dat juist hij als Belg werd uitgekozen om dit beeld te houwen, dat symbool stond voor de moed van de Nederlandse soldaten tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen. Ook de steen die hij gebruikte om het beeld te maken was afkomstig uit België. Deze steensoort was echter zeer zacht en zou de tand des tijds niet doorstaan.

Op 10 december 1855 werd de eerste steen gelegd en op 27 augustus 1856 zou het monument in het bijzijn van koning Willem III worden onthuld door enkele invalide oud-soldaten. De onthulling geschiedde echter voortijdig door een windvlaag.

Het gehele beeld bestond uit verschillende achtkantige en vierkante brokken hardsteen. Deze werden daarbij gesierd door een leeuw, die echter volgens velen niet imposant was. Boven op het geheel stond een bijna vier meter hoge vrouw, De Eendracht.

Bijnaam[bewerken]

Als snel ontstond de bijnaam Naatje Eendracht, Naatje op de Dam en later kortweg Naatje. Waar deze naam vandaan komt, is niet geheel duidelijk. Het zou kunnen dat de tekst op het beeld verkeerd gelezen werd en dat NATIE voor NATJE werd aangezien, dat verbasterd werd naar Naatje. Dit was een gangbare vrouwennaam, afgeleid van Catharina, maar tevens zou het kunnen verwijzen naar het vrouwelijk geslachtsdeel.

De uitdrukking "het is naatje", ook wel "naatje pet", betekent "het is waardeloos" en gaat waarschijnlijk terug op de erbarmelijke staat waarin het beeld al snel geraakte.

Verval[bewerken]

Op 8 april 1914 wordt Naatje weggetakeld

Vorst en regen deden hun werk en Naatje raakte na een aantal jaar een deel van haar neus kwijt. Haar hoofd zaagde men af om het te kunnen restaureren en nadien werd het teruggeschroefd op het beeld. Op 2 mei 1907 viel haar rechterarm kapot in het fonteinbassin. Haar arm werd niet vervangen. Haar voorhoofd, wangen en kuiten waren intussen ook ernstig aangevreten door het weer. Het monument werd dan ook geheel bedekt met bloemen als er hoog bezoek op de Dam werd verwacht, zodat het zicht van het toegetakelde beeld werd ontnomen.

Op 25 juli 1913 bespraken B&W in hun vergadering een voorstel om het beeld te laten verwijderen. De Dam werd verbouwd, de tramsporen op het gedeelte van de Dam voor het Paleis werden verlegd en op 8 april 1914 werd Naatje verwijderd.

Volgens het (revue)liedje Het verdwijnen van NAATJE VAN DEN DAM was "Heel Amsterdam in rouw". Het refrein: "Nu gaat Naaije treurig heen / O, noje le heine, ze moet verdwijnen / Nu gaat Naatje van de dam / Ze moet verdwijnen voor de Electrische Tram."[1] De restanten werden verplaatst naar het Stedelijk Museum. Alleen het hoofd zou nog aanwezig zijn, begraven in de tuin van het museum.

In het midden van de jaren zestig zong Wim Sonneveld in zijn conference Frater Venantius een liedje, samengesteld uit tekstregels uit uiteenlopende Nederlandse liedjes. Een van die regels is "'t is weer naatje op de Dam".

Zie ook[bewerken]