Niet-verbale leerstoornis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

Een niet-verbale leerstoornis (soms ook NLD of NVLD naar de Engelse benaming non-verbal learning disorder: non-verbale leerstoornis) is een neuropsychologische (en vermoedelijk pervasieve) aandoening en een term uit de psychiatrie, een leerstoornis die in de jaren 70 voor het eerst werd beschreven door de Canadees Byron Rourke.

NLD is een neuropsychologische aandoening, waarbij het specifieke profiel van vaardigheden en tekorten door middel van neuropsychologisch onderzoek wordt vastgesteld. In het voortraject van het neuropsychologisch onderzoek is het van belang inzicht te hebben in de didactische ontwikkeling, naast een beeld van de structuur van de intelligentie en persoonlijkheidsontwikkeling.

Voor veel psychiaters is deze neuropsychologische diagnose niet zinvol, omdat deze als werkmodel niet is opgenomen in de officiële handboeken. De diagnose kan in plaats daarvan een specifieke leerstoornis zijn, een combinatie van leerstoornissen of in geval van zwaardere sociale problemen autisme, atypisch autisme of het syndroom van Asperger.

De stoornis levert vooral problemen op in de non-verbale communicatie, en ook op verschillende andere gebieden. Leerproblemen doen zich voornamelijk voor op non-verbaal gebied (functies van de rechterhersenhelft).

De oorzaak is soms mogelijk gelegen in beschadiging of disfuncties van de witte stof in de rechterhersenhelft.[1]

Probleemgebieden[bewerken | brontekst bewerken]

Patiënten met NLD/NVLD hebben in het dagelijks leven vaak problemen die zich uiten op de volgende gebieden:

Oorzaak en gevolg[bewerken | brontekst bewerken]

Mensen met NLD kunnen vaak het verband tussen een oorzaak en gevolg niet overzien, daarom zien zij vaak het gevolg van hun eigen handelen niet. Dit kan leiden tot onbegrip van de omgeving.

Non-verbale communicatie[bewerken | brontekst bewerken]

Mensen met NLD begrijpen niet-verbale informatie - als ze die al oppakken - vaak verkeerd. Op andere momenten begrijpen zij die goed, maar weten zij niet juist te reageren, waardoor contacten leggen en onderhouden bemoeilijkt wordt.

Oogcontact maken is voor sommige mensen met NLD erg moeilijk. Ze voelen zich niet op hun gemak, of ze vergeten het gewoon. Vaak lijkt de patiënt door de gesprekspartner heen te staren.

Ook aangeraakt worden kan voor sommigen problemen geven. Emoties van anderen herkennen en die van zichzelf uiten levert vaak vele problemen op. Doordat ze hun eigen emoties niet goed kunnen uiten kan het zijn dat er fikse verwarring voorkomt tussen patiënt en omgeving.

Verbale communicatie[bewerken | brontekst bewerken]

Mensen met NLD hebben vaak de neiging om in "cocktail-speech" te vervallen, dat wil zeggen: heel veel en heel snel praten. Dit doen zij vooral wanneer ze geen overzicht meer hebben, ze proberen dan grip te krijgen door te praten. Ook praten zij vaak monotoon en merken ze ook bij anderen nuances niet op in het taalgebruik. Mensen met NLD zijn sterk in verbale communicatie, zij moeten het dan ook vooral hebben van verbale informatie. Als er te veel prikkels binnenkomen (zoals visuele) kan dat leiden tot verwarring. De boodschap komt dan niet goed door, en hierdoor ontstaan er vaak misverstanden. Sommige mensen met NLD nemen nauwelijks visuele informatie waar.

Omdat mensen met NLD verbaal zo sterk kunnen zijn, kan het lijken alsof ze ook zo sterk zijn van begrip. Vaak heeft de patiënt echter slechts een (zeer) beperkt begrip van het gespreksonderwerp.

Rekenen en ruimtelijk inzicht[bewerken | brontekst bewerken]

Rekenen en wiskunde kunnen erg lastig zijn voor mensen met NLD, en vaak hebben zij problemen met ruimtelijk inzicht. Voorbeelden waar moeilijkheden kunnen optreden zijn:

  • het herkennen van gezichten (en soms het koppelen van een naam aan een gezicht)
  • het houden van een goed overzicht in een drukke omgeving
  • de weg vinden (zelfs in een voor de patiënt bekende omgeving)
  • bij wiskunde: het verwarren van X-as en de Y-as
  • topografie: naam en locatie van gebieden onthouden
  • kaartlezen, of een route weten te onthouden. Bij mensen met NLD moet men dan ook herhaald de weg wijzen en herkenningspunten geven
  • het inschatten van de snelheid van een auto, bij bijvoorbeeld het oversteken of inhalen
  • het bepalen of inschatten van de inhoud van een object
  • het bepalen of inschatten van de oppervlakte van een vlak
  • het bepalen of inschatten van een afstand
  • het bepalen of inschatten van een snelheid

Een tekening maken van de situatie kan een goede manier zijn om hulp te bieden en het overzicht te behouden.

Motoriek[bewerken | brontekst bewerken]

Motorisch gezien zijn mensen met NLD zwak. Dit kan zich uiten in: laat lopen, soms houterig lopen of rennen. Ze hebben soms ook moeite om hun evenwicht te houden en niet tegen dingen aan te lopen (doordat ze bijvoorbeeld een afstand verkeerd inschatten). Ook de fijne motoriek ontwikkelt zich afwijkend. Voorbeelden hiervan zijn: vooral in het begin moeite hebben met schrijven, een hekel hebben aan tekenen en veters niet kunnen strikken. NLD'ers komen bij andere mensen dan ook vaak over als 'onhandig' en/of 'houterig'.

Faalangst[bewerken | brontekst bewerken]

Mensen met NLD zijn, meer dan anderen, faalangstig. Ze kunnen vaak hun situatie niet overzien, hebben het idee dat ze te veel tegelijk moeten doen, en weten dan niet meer waar te beginnen. Daardoor kunnen ze stagneren, en doen vervolgens niets meer. Soms ook proberen ze alles tegelijk te doen en maken niets af. Dit leidt soms tot frustratie of zelfs tot agressief gedrag. Dit wordt ook bevorderd doordat ze overzicht missen; ze ervaren de wereld om zich heen als een chaos, de handelingen die ze moeten verrichten ook en zo ontstaat heel snel een verlammend gevoel van onmacht. Onhandigheid bij het uitvoeren van taken roept veel kritiek op van leraren, medestudenten en op de werkvloer. Zo wordt faalangst versterkt.

Behandeling[bewerken | brontekst bewerken]

NLD/NVLD is niet te genezen en medicatie doet meestal weinig.

Soms worden antidepressiva voorgeschreven, maar een effect daarvan is niet wetenschappelijk bewezen. Veel personen met NLD kampen ook met een chronische vermoeidheid door de constante chaos die ze rondom zich ervaren. Medicatie zoals Ritalin of Concerta kan sommigen helpen om meer grip te krijgen op de wereld.[2] Indien die medicatie aanslaat, heeft dit ook een positieve psychologische weerslag op de NLD-er. De persoon in kwestie ervaart dat er wel mogelijkheden zijn en de vicieuze cirkel van faalangst wordt doorbroken. Melkproducten, in het bijzonder room, zijn te vermijden. Het zogenaamde fladderen van de handen is een teken dat er te veel hersenactiviteit is, met name in de hippocampus, wat vervolgens weer slaapproblemen met zich meebrengt. Het fladderen van de handen is echter niet specifiek voor de aandoening.

Benadering[bewerken | brontekst bewerken]

NLD is niet te genezen. Veel hangt af van de wijze waarop de patiënt wordt benaderd. Hierbij kan worden gedacht aan:

  1. Het geven van verbale (en dus uitsluitend verbale) instructies bij alles wat aangeleerd moet worden.
  2. Het zo veel mogelijk zoeken van positieve interactie.
  3. Het hebben van aandacht voor wat de persoon doet in plaats van voor uitsluitend wat hij/zij zegt, met name om te voorkomen dat de patiënt overschat en overvraagd wordt
  4. Het bieden van structuur in dagelijkse dingen
  5. Het voorbereiden op nieuwe dingen en situaties
  6. Het creëren van een rustige omgeving
  7. Herhaald zeggen wat wel of niet mag. Het kost relatief veel tijd voordat het kind zich aan regels houdt. Realiseer je tegelijk dat een kind met NLD zich niet met opzet niet aan de regels houdt; het wordt overspoeld door een onduidelijke wirwar van (ook praktische!) informatie. Steeds boos worden versterkt het gevoel van falen. Aanmoedigen en het kind op zijn gemak stellen moet gecombineerd worden met steeds weer in stapjes duidelijk aangeven wat je verwacht - het kind overziet en begrijpt dit vaak niet.
  8. Voorkomen van symbolisch taalgebruik, zoals geef mij je hand. NLD'ers kunnen dit letterlijk opvatten.
  9. Aanbieden van erg gestructureerde cursussen met genoeg plaats tussen elk stuk en duidelijke nummering, titels en ondertitels.
  10. Oppassen voor het gebruik van sarcasme. Patiënten nemen dit vaak serieus.
  11. Een tekening bieden van de situatie of de patiënt aanleren een dergelijke tekening zelf te maken.

Dagelijks leven[bewerken | brontekst bewerken]

Het dagelijks leven kan voor veel mensen met NLD milde tot zware problemen opleveren. De trein nemen, de juiste bus nemen, zichzelf redden in een nieuwe omgeving, een nieuwe taak aanleren, het zijn allemaal erg stresserende ervaringen voor een NLD'er. Sommigen leren zelf goed omgaan met hun beperkingen, anderen hebben hulp hierbij nodig: bijvoorbeeld door het aanleren van nieuwe technieken.

Kinderen en volwassenen met NLD kunnen voor de omgeving erg storend zijn, zonder dat de omgeving in de gaten heeft wat er precies aan de hand is. Uitleg geven aan de patiënt en de omgeving kan de samenwerking bevorderen en bijdragen aan begrip.

Problemen van de NLD'er worden vaak duidelijker en meer uitgesproken met het ouder worden.

Kinderen[bewerken | brontekst bewerken]

Kinderen met NLD leren veelal vanzelf te leren en werken met hun aandoening, hoewel sommigen van hen daar begeleiding bij behoeven. Omdat zij sommige dingen niet zo snel opnemen als leeftijdsgenootjes kan het ontwikkelen van faalangst een probleem zijn.

Voorbeelden van uitingen en kenmerken van NLD bij kinderen:

  • Verdwalen, zelfs in een bekende omgeving
  • Dingen kwijtraken, zelfs als men deze een vaste plaats heeft gegeven
  • Bazig gedrag, egocentrisch, eigen mening doordrukken, controle over anderen willen hebben
  • Problemen bij het oversteken van een straat (het inschatten van de afstand/snelheid bij een naderende auto)
  • Problemen met motoriek en het handhaven van routines, zoals aankleden, persoonlijke hygiëne, het strikken van schoenveters en het gebruik van mes en vork bij het eten
  • Mechanisch rekenen gaat goed, inzichtelijk rekenen is echter een probleem
  • Passief, opstandig en agressief gedrag
  • Slechte sociale interactie, bijvoorbeeld door het verstoren van gesprekken en het houden van langdurige monologen
  • Beperkte zelfredzaamheid
  • Laag werktempo, werk is bijvoorbeeld niet op tijd af
  • Snel vermoeid
  • Beperkt concentratievermogen
  • Beperkt inlevingsvermogen
  • Beperkte zelfredzaamheid
  • Moeite met uitdrukken van emoties
  • Moeite met het overzien van een geheel, moeite met het onderscheiden van hoofd- en bijzaak
  • Rekenen wordt meestal niet toegepast, maar antwoorden worden letterlijk uit het hoofd geleerd
  • Moeite met logisch redeneren, het verband tussen oorzaak en gevolg wordt gemist
  • Moeite met klokkijken, tijd niet in kunnen schatten en vaak te laat komen
  • Geen oog voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen
  • Veel 'gekke' ongelukjes: drinken wordt bijvoorbeeld naast het glas geschonken, niet in het glas
  • Moeite met het naleven van (ongeschreven) regels
  • Moeite met rangschikken en het maken van lijstjes
  • Moeite met het herkennen van gezichten en het koppelen van een naam aan een gezicht
  • Impulsief en onvoorspelbaar gedrag
  • Veel praten zonder het gespreksonderwerp werkelijk te begrijpen

Volwassenen[bewerken | brontekst bewerken]

Volwassenen met NLD hebben vaak in de jeugd geleerd met hun stoornis te werken en deze te verbloemen door zich te richten op verbale kwaliteiten. Omdat volwassenen met NLD hun stoornis veelal goed weten te verbergen, ligt frustratie bij docenten, medestudenten en collega's op de loer. De patiënt kan zelfs overkomen als arrogant, maar valt uiteindelijk vaak door de mand.

Voorbeelden van uitingen en kenmerken van NLD bij volwassenen:

  • Bijzonder laag werktempo: (onnodig) lang bezig zijn met het uitvoeren van taken/opdrachten (zelfs bij taken/opdrachten die voor andere volwassenen triviaal zijn: een opdracht die binnen enkele minuten/uren afgerond zou kunnen zijn is voor de patiënt vaak lastig genoeg om er dagen of zelfs weken mee bezig te zijn); bovendien is de kwaliteit van het werk bijzonder laag en verbetert doorgaans niet naarmate de patiënt langer bezig is
  • Opvallende spraak en taalgebruik, soms monotoon of pedant, gestoorde prosodie
  • Taken langdurig uitstellen of proberen te vermijden
  • Kinderlijke instelling en gedrag, egocentrisch en egoïstisch, de eigen mening doordrukken, de controle over anderen willen hebben, anderen onder druk zetten, geen oog voor de meningen of inzichten van een ander, de patiënt blijft de eigen inzichten opdringen zelfs nadat de omgeving herhaaldelijk aan heeft gegeven niet akkoord te gaan
  • Zeer beperkt organisatorisch vermogen: de patiënt houdt nauwelijks of geen rekening met planningen, wensen en behoeften van anderen; de patiënt heeft alleen oog voor de eigen behoeften en verwacht van anderen zich aan te passen (de patiënt legt anderen de eigen regels op, hoe onhandig deze regels voor een ander ook mogen zijn)
  • Weigeren verantwoordelijkheid te nemen of verantwoordelijkheid trachten te vermijden, geen zelfreflectie: in de ogen van de patiënt is deze niet verantwoordelijk voor de eigen problematiek en is de omgeving verantwoordelijk voor de problemen (en het verhelpen van dergelijke problemen) die ontstaan als gevolg van het gedrag van de patiënt; de patiënt weigert (een poging te doen) zich aan te passen
  • Missen van deadlines of afspraken, door een gebrek aan overzicht; werk is vaak niet af of van onvoldoende kwaliteit op het moment van een deadline
  • Missen van (visueel) overzicht in een document, moeite met het behouden van structuur in een document (bijvoorbeeld in opmaak, lettertype, kleuren)
  • Rigide gedragspatronen: de patiënt heeft geleerd om op één bepaalde manier om te gaan met taken/situaties, hiervan afwijken is voor de patiënt bijna niet mogelijk
  • Leestekens en symbolen worden onjuist toegepast in het werk en de communicatie: hoofdletters, punten en komma's worden op willekeurige plaatsen gebruikt in een zin, letters en spaties worden overgeslagen
  • Werk wordt onjuist of onvolledig uitgevoerd, verslagen zijn bijvoorbeeld onoverzichtelijk en teksten worden omslachtig geschreven: er wordt veel geschreven maar de kern wordt gemist, in teksten wordt "van hak op de tak" gesprongen
  • Het eigen werk lijkt niet te worden gecontroleerd: fouten in het eigen werk worden niet opgemerkt en niet gecorrigeerd
  • Passief, opstandig (en soms zelfs agressief), "claimend", aanhankelijk of afhankelijk gedrag
  • Verslavingen, zoals alcoholverslaving (of alcoholmisbruik)
  • Problemen in de sociale interactie: grapjes of sarcasme serieus nemen, verstoren van gesprekken, niet (kunnen) begrijpen waarom anderen zich aan de patiënt ergeren
  • Gevaarlijk gedrag bij gebruik van bijvoorbeeld gereedschap, machines of schadelijke stoffen; omdat de patiënt blind is voor niet-verbale signalen vanuit de omgeving gaat de patiënt door met gevaarlijke handelingen terwijl de omgeving in paniek raakt en alarm slaat; de patiënt kan mogelijke gevaren bij het eigen handelen niet overzien
  • Beperkte sociale vaardigheden: de patiënt is niet in staat om sociale situaties in te schatten omdat deze niet-verbale signalen (lichaamstaal, gelaatsuitdrukkingen, gebaren, intonatie) niet kan verwerken, de patiënt komt daardoor onhandig, brutaal of onbeleefd over of zet zichzelf voor schut (maar heeft dat zelf niet in de gaten); omdat de patiënt structureel niet kan leren welk gedrag gepast of ongepast is in bepaalde situaties kan dit leiden tot een gebrek aan zelfvertrouwen/faalangst of juist tot zelfingenomenheid
  • Naïviteit: delen van (te veel) persoonlijke informatie, anderen te veel vertrouwen
  • Vooral sociaal ingesteld: heeft graag contact met anderen, veel kletsen zonder diepgang
  • Veel praten zonder het gespreksonderwerp werkelijk te begrijpen, voortdurende behoefte om te praten, gebruik van 'dure' woorden zonder de betekenis van dergelijke woorden werkelijk te begrijpen, houden van monologen en het spontaan maken van opmerkingen die voor de omgeving vaak "uit het niets" lijken te komen
  • Problemen met het toepassen van algemene of reeds geleerde kennis, het geheel wordt niet (voldoende) erkend
  • Beperkt inlevingsvermogen: bijvoorbeeld niet (kunnen) begrijpen waarom iemand verdriet heeft of waarom iemand boos is
  • Slecht functioneren in teamverband: werk van anderen wordt bijvoorbeeld (onbedoeld) onklaar gemaakt (vaak op het laatste moment), tijd van het team wordt verspild, de concentratie van teamgenoten wordt voortdurend verstoord, er wordt veel gekletst maar nauwelijks gewerkt, planningen worden niet nageleefd, groepsprocessen/vergaderingen worden verstoord of gefrustreerd, de eigen mening wordt doorgedrukt, werk is van te lage kwaliteit en moet door anderen worden verbeterd, de patiënt heeft alleen oog voor de eigen (deel)taak waardoor het geheel niet of te laat wordt voltooid (geen oog voor het gemeenschappelijk doel van het team)
  • Verminderde controle over motorische functies, voornamelijk aan de linker lichaamshelft
  • Snel vermoeid: de patiënt moet zich volledig inspannen om de dag door te komen
  • Veel 'gekke' ongelukjes: andermans eigendommen worden moedwillig beschadigd, werk van anderen wordt gesaboteerd, anderen worden in gevaar gebracht
  • Beperkt besef van tijd: het verstrijken van tijd wordt niet bewust ervaren of onjuist ingeschat, begrippen zoals "straks", "later", "enkele uren" worden onjuist opgevat
  • Beperkt concentratievermogen: de patiënt is bijzonder snel afgeleid
  • Beperkte emotionele stabiliteit, emotionele onvolwassenheid
  • Beperkte interesses (in aantal en diepgang): de patiënt heeft een interesse voor een beperkt aantal zaken en bij dergelijke zaken blijft de interesse slechts oppervlakkig
  • Beperkt probleemoplossend vermogen: nieuwe taken/opdrachten zijn vaak te moeilijk
  • Beperkte zelfredzaamheid
  • Impulsief en onvoorspelbaar gedrag: de patiënt bemoeit zich met alles om zich heen, maar komt tot weinig; gaat in op iedere impuls die zich aandient, maar raakt vervolgens onthand
  • 'Houterige' bewegingen: lopen op onnatuurlijke wijze (soms trappelend), fysieke taken worden op een vreemde of onhandige manier uitgevoerd
  • 'Vreemde', onnatuurlijke of beperkte gelaatsuitdrukkingen, afwijkende lichaamstaal
  • Geen oog voor de eigen veiligheid en de (fysieke of emotionele) veiligheid van anderen
  • De patiënt is zich niet bewust van de eigen tekorten en overschat de eigen capaciteiten, zelfs na diagnose en voldoende uitleg over de stoornis
  • Maken van onnatuurlijk oogcontact: de patiënt staart langs of door de gesprekspartner heen en is blind voor de lichaamstaal van de gesprekspartner
  • Geen respect voor de eigendommen, (lichamelijke) integriteit, meningen of kwaliteiten van anderen
  • Moeite met het maken van een (tijds)planning en het zich houden aan een dergelijke planning
  • Moeite met uitdrukken van emoties, gevoelens worden niet of juist overmatig geuit, kritiek wordt gezien als een afgang of juist genegeerd
  • Moeite met het naleven van (ongeschreven) regels, de patiënt lijkt niet te beschikken over wat anderen een "gezond verstand" zouden noemen
  • Moeite met het maken van schattingen (tijd, ruimte en sociaal): hoeveel tijd nodig is voor het voltooien van een taak, welke kleding geschikt is voor een evenement; de patiënt ziet bijvoorbeeld niet in hoeveel tandpasta op een tandenborstel past of hoeveel vloeistof er in een glas past
  • Moeite met het overzien van een geheel, moeite met het onderscheiden van hoofd- en bijzaak, de patiënt ziet vaak alleen details
  • Moeite met de fijne motoriek en oog-handcoördinatie: bijvoorbeeld bij gebruik van een toetsenbord en muis
  • Moeite met logisch redeneren: het verband tussen oorzaak en gevolg wordt gemist, de patiënt overziet (mogelijke) gevolgen van het eigen handelen niet (resulterend in onvoorspelbaar gedrag)
  • Moeite met multitasken, autorijden kan bijvoorbeeld een probleem zijn
  • Moeite met rangschikken, het maken van lijsten
  • Moeite met het herkennen van gezichten en het koppelen van een naam aan een gezicht
  • Moeite met het herkennen van lichaamstaal en intonatie; de patiënt lijkt "ziende blind" en blijft bijvoorbeeld doorgaan met praten terwijl de gesprekspartner geen interesse meer toont en reeds is gestopt met luisteren
  • Moeite met begrijpend lezen
  • Moeite met abstract denken en redeneren
  • Moeite met verandering, bijvoorbeeld van slag raken wanneer een product is verplaatst in een winkel
  • Moeite met huishoudelijke taken, bijvoorbeeld het huis op orde houden, rekeningen (op tijd) betalen
  • Moeite met kaartlezen, lezen van plattegronden
  • Moeite met het maken/lezen/interpreteren van diagrammen
  • Moeite met visualiseren van objecten, een tekening maken kan nodig zijn; de patiënt kan bijvoorbeeld geen (ruimtelijke) voorstelling maken van een kubus en moet een tekening maken
  • Moeite met aanleren van nieuwe technieken, moeite met combineren van kennis en technieken

Volwassenen komen door hun verbale kwaliteiten vaak makkelijk door een sollicitatiegesprek heen, maar daarna beginnen de problemen met hun functioneren op de werkvloer.

Comorbiditeit[bewerken | brontekst bewerken]

NLD komt veelal voor in combinatie (en heeft veel overlap) met andere stoornissen:

NLD en Asperger[bewerken | brontekst bewerken]

Er bestaan sterke overeenkomsten tussen de symptomen van NLD en het syndroom van Asperger. Een aantal onderzoekers meent dat ze in wezen hetzelfde verschijnsel betreffen, maar dan van verschillende kanten bekeken (gedragskundig en neuropsychologisch). Byron Rourke, een van de belangrijkste onderzoekers van NLD, stelt dat vrijwel alle Aspergers aan de criteria voor NLD voldoen,[3] een onderzoek van de Yale-universiteit komt tot tachtig procent.[4] Ook later onderzoek bevestigde de sterke overeenkomsten in neuropsychologische profielen.[5]

Rourke vond overigens geen NLD-profielen bij autisten[6] (onderzocht werden autisten met een normale intelligentie) en concludeerde dat autisme en NLD geen deel uitmaken van hetzelfde spectrum.[3]

Kritische opmerking[bewerken | brontekst bewerken]

De kenmerken van niet-verbale leerstoornissen worden in de literatuur vaak toegeschreven aan andere stoornissen zoals de sociaal-emotionele leerstoornis en rechterhemisfeerdeficit (Peter Vermeulen in 'Beter vroeg dan laat en beter laat dan nooit') of de visuo-spatiële leerstoornis (Herbert Roeyers, prof. UGent) of visuo-spatiële dyscalculie. NLD zal niet worden opgenomen in de DSM-5-code, omdat de DSM-5 psychiatrische diagnoses betreft. NLD is een neuro(psycho-)logische term. Uit het onderzoek van Yale bleek echter ook dat mensen die de diagnose NLD kregen, niet onder de criteria van Asperger vielen (terwijl 80% van mensen met een diagnose Asperger wel aan de criteria van NLD voldeden).

Noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. B.P. Rourke, Nonverbal learning disabilities: the syndrome and the model, New York, 1989, pp. 62, 110, 113-118, 122, 124, 126-131, 137, 221-222.
  2. B.P. Rourke, Questions and Answers Question #7, NLD-BPROURKE.CA
  3. a b B.P. Rourke, Questions and Answers Question #41, NLD-BPROURKE.CA
  4. D. Dinklage, Aspergers Disorder and Non-Verbal Learning Disabilities: How Are These Two Disorders Related to Each Other?, in the AANE newsletter (2001).
  5. H.L. Gunter - M. Ghaziuddin - H.D. Ellis, Asperger syndrome: Tests of right hemisphere functioning and interhemispheric communication, in Journal of Autism and Developmental Disorders 32 (2002), pp. 263-281.
  6. A. Klin - F.R. Volkmar - S.S. Sparrow - D.V. Cicchetti - B.P. Rourke, Validity and neuropsychological characterization of Asperger syndrome: convergence with nonverbal learning disabilities syndrome, in J. Child Psychol Psychiatry. 36 (1995), pp. 1127-1140.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]