Nominalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het nominalisme is het kennistheoretische standpunt dat de termen waarmee de mens de werkelijkheid om zich heen benoemt geen objectief bestaande, "reële" entiteiten aanduiden, maar slechts woorden en namen zijn. Het nominalisme is een theologische/filosofische stroming uit de tweede helft van de Middeleeuwen. Deze stroming binnen de metafysica acht de individuele dingen als werkelijk en niet de universele gestalte ervan. Niet de boomheid is werkelijk, maar de individuele boom. Dit heeft consequenties voor de Godsleer. Deze stroming beweerde dat het goede goed was omdat God het wil. De vrijheid van God wordt analoog gedacht aan die van mensen, waarbij gekozen kan worden uit een aantal mogelijkheden. Het nominalisme is een vroege stroming die het belang van de wil poneert.

Het nominalisme stond tegenover het middeleeuwse realisme (homoniem voor verschillende stromingen), waarin vooral wordt gedacht in termen van het zijn en dat juist de universalia (algemeen voorkomende abstracte begrippen als kleur, smaak en dergelijke) beschouwt als werkelijk. Universalia zijn die kenmerken van een bepaald voorwerp, die het maken tot het bepaalde voorwerp dat het is. De in alle bomen terugkerende gestalte van de boomheid is werkelijk en niet zozeer de individuele boom. De consequentie voor de Godsleer is dat God het goede wil omdat het goed is. God heeft ergo geen van tevoren gegeven mogelijkheden waaruit hij kan kiezen, maar realiseert alles wat hij zijn kan. Hij gehoorzaamt aan de wetten die in hemzelf zijn gelegen.

Het ontstaan van het nominalisme wordt in verband gebracht met de opkomst van de burgerij in de Middeleeuwen. De burgerij stond los van de feodale verbanden.

Belangrijke vertegenwoordigers van deze stroming zijn Roscellinus van Compiègne (ca. 1050–ca. 1124) en Willem van Ockham (1288–ca. 1347).

In de Nieuwe Tijd wordt deze stroming voortgezet in het empirisme. Daarbij zijn empiristen als Thomas Hobbes en George Berkeley consequente nominalisten. Het radicale nominalisme van Friedrich Nietzsche ligt in de twintigste eeuw aan de basis van de postmoderne filosofie.

Filosofische oorsprong van het nominalisme[bewerken]

Het nominalisme-realisme debat heeft zijn eigenlijke wortels in de klassieke oudheid. Plato is daar de begripsrealist die de stelde dat de kenmerken die men kan waarnemen van voorwerpen slechts tijdelijke zwakke manifestaties zijn van eeuwig bestaande Ideeën of Vormen. Deze Vormen bevinden zich dus buiten de materie, ze zijn transcedent. De algemene begrippen bestaan voor de dingen (universalia ante res) Zo is een specifiek paard een niet-perfecte afspiegeling van het oerbeeld Paard of Paardheid.
Aristoteles nam een gematigd realistische positie in. De vormen of essenties van een voorwerp of substantie bestonden voor hem werkelijk, maar bevonden zich in de substantie zelf, deze zijn immanent (universalia in rebus). Andersom dan bij Plato volgde het begrip paard dus uit alle individuele paarden.

Merk op dat het verschil in opvattingen tussen Plato en Aristoteles ook gevolgen heeft voor de soort dialectiek die wordt toegepast. Bij Plato ligt in de dialoog bij het gebruik van de dialectiek veelal de nadruk op de poging om (vanuit een vogelvluchtperspectief) tot zo zuiver mogelijke begrippen (ideeën, vormen) te komen, terwijl het bij Aristoteles eerder een redeneer- of argumentatievorm is. Aristoteles' opvattingen vormden niet alleen een betere voedingsbodem voor empiristische tendensen, maar ze schiepen ook eerder gelegenheid tot allerlei vormen van (filosofisch) materialisme, welke stromingen na de Middeleeuwen dan ook daadwerkelijk opkwamen.

De zogenaamde universaliënstrijd, die vanaf de elfde tot en met de veertiende eeuw een belangrijke rol in het filosofische debat speelde, is te beschouwen als de voortzetting van dit verschil in inzicht tussen Plato en Aristoteles. Zowel de heftigheid alsook het belang van de debatten toen zijn te begrijpen wanneer men zich realiseert dat het gebouw van het christendom tot aan deze universaliënstrijd grotendeels op neoplatonistische fundamenten gebouwd was.