Nubië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nubië vandaag de dag. De oude Nubische koninkrijken bevonden zich langs de Nijl, ongeveer tussen het eerste en zesde cataract. Tegenwoordig wonen er Nubiërs boven Aswan, rond Wadi Halfa en rond Dongola.

Tegenwoordig is Nubië een gebied in het zuiden van Egypte en in het noorden van Soedan. In oude tijden was het echter een onafhankelijk koninkrijk en vazalstaat van Egypte.

Geschiedenis[bewerken]

In klassieke tijden was het gebied onder de controle van Koesj, een koninkrijk dat verbonden was met het oude Egypte. Koesj nam dan ook vele Egyptische gebruiken over, inclusief het geloof en de piramides. Het Koninkrijk Koesj bleef langer bestaan dan Egypte, en werd nooit overwonnen door het Romeinse Rijk.

Tijdens deze Romeinse periode werden de verschillende delen van het rijk verdeeld in kleinere gebieden met aparte leiders of generalen, die elk kleine legers huurlingen onder zich hadden. Ze vochten allemaal onder elkaar, waardoor het hele gebied erg kwetsbaar werd voor aanvallen van buitenaf

Op een bepaald moment werd Koesj overwonnen door de Noeba-volkeren, waarvan de naam Nubië werd afgeleid. Volgens Paul Theroux komt Nubie van "nub", wat goud betekent in het Arabisch. De Romeinen noemden vanaf dan het gebied Nobatae.

Rond 350 werd het gebied overgenomen door Aksum, een Ethiopisch koninkrijk. Het rijk viel echter uit elkaar, en drie kleinere koninkrijken kwamen in de plaats: Nobatië (met de stad Faras) in het noorden, Makurië (hoofdstad Dongola) in het midden, en Aloda (hoofdstad Soba) in het zuiden.

Het gebied werd bekeerd tot het christendom, maar begon zich vanaf 719 van de Grieks-orthodoxe Kerk af te keren, en nam het Koptisch christendom aan als staatsgodsdienst.

Tegen de 7e eeuw was Makurië de dominante macht in het gebied geworden. Het was dan ook sterk genoeg om de zuidelijke uitbreiding van de islam tegen te houden nadat de Arabieren Egypte hadden overgenomen. Na enkele mislukte invasies van Egypte sloegen de nieuwe leiders een verdrag met Dogomba zodat handel mogelijk werd. Het verdrag hield voor 600 jaar stand. De instroom van Arabische handelaars zorgde er echter voor dat de regio traag maar zeker zich bekeerde tot de islam. Rond 1350 werd de centrale kerk van Dongola omgebouwd tot moskee.

In de 14e eeuw viel de Dongolaanse regering in elkaar, en het gebied werd opnieuw gedomineerd door Egypte. Gedurende de volgende eeuwen werd het gebied gedeeltelijk overgenomen door andere landen, en andere gebieden werden kleine koninkrijkjes. Noord-Nubië kwam onder de controle van Egypte, en de rest van het gebied werd geannexeerd door Mehemet Ali in het begin van de 19e eeuw. Het gebied werd later een Engels-Egyptisch condominium.

Aan het einde van het kolonialisme in het gebied werd Nubië verdeeld tussen Egypte en Soedan.

Veel Egyptische Nubiërs moesten verhuizen na de aanleg van het Nassermeer, waarbij de Nijl werd afgedamd bij Aswan. Nubische dorpjes kunnen nu gevonden worden ten noorden van Aswan en op de westoever van de Nijl. Ook in grote steden leven vele Nubiërs.

Het verhaal van Nubië wordt nog vaak in verhalen verwerkt. Men denke aan de opera Aida, waar de kroonprinses van Nubië verliefd wordt op de Egyptische legeraanvoerder; een verboden liefde.