Nubië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nubië vandaag de dag. De oude Nubische koninkrijken bevonden zich langs de Nijl, ongeveer tussen het eerste en zesde cataract. Tegenwoordig wonen er Nubiërs boven Aswan, rond Wadi Halfa en rond Dongola.

Tegenwoordig is Nubië een gebied in het zuiden van Egypte en in het noorden van Soedan. In de oudheid waren er verschillende koninkrijken en ook een vazalstaat van Egypte.

Naamgeving[bewerken]

Volgens Paul Theroux komt de naam 'Nubië' van het Arabische Nub wat goud betekend. De Romeinen noemden het gebied Nobatae naar de Noeba volkeren. Het Oude Egypte noemden de regio Koesj (Opper-Nubië) en Wawat (Beneden-Nubië).

Geschiedenis[bewerken]

Het gebied heeft verschillende rijken gekend.

Koninkrijk Kerma[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Kerma

Vanaf 2500 tot 15e eeuw v.Chr. bestond er het koninkrijk Kerma. Dit koninkrijk bestond uit de stad Kerma en een reeks van omringende dorpen. Het rijk gedijde op handel met de noorderburen (Oude Egypte) en het Afrikaanse handelsroutes met name goud.

In de tweede tussentijd verwaterde de handelsbetrekkingen tussen Egypte en Kerma. Kerma werkte samen met de Hyksos. Na het verenigingen van het rijk door Ahmose I werd het rijk verslagen en de grenzen verlegt tot diep in Soedan bij Aboe Hamid.

Koninkrijk Koesj[bewerken]

Het koninkrijk volgde op het koninkrijk Kerma en bestond van 1500 tot 1070 v. Chr. Thoetmoses I trok gericht ten strijde om de stad Kerma ten val te brengen. Hij trok door tot aan de 4e en 5e cataract waar hij een grensstele neerzette. Hiermee stonden ook de Afrikaanse handelsroutes ter controle. Het gebied werd ter controle gesteld van de Koningszoon van Koesj. De Nubische vorsten bleven aan als handelspartners en de levering van arbeidskrachten. De zonen van de koningszonen van Koesj werden net zoals de Aziatische vorsten aan het hof in Thebe opgevoed.[1] Thoetmoses III leidde ook veldtochten naar Nubië waar hij de stad Napata de provinciehoofdstad maakte.[2]

De handel in goud werd in forten bij Wadi Allaki opgeborgen. Dit goud zou een grote rol spelen in de economie van Egypte.

Koninkrijk Meroë[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Koninkrijk Meroë

Na de val van het Ramsessiden aan het einde van de 20e Dynastie van Egypte en het begin van de 21e Dynastie rond 1070 voor Christus verminderde de greep. Het koninkrijk van Meroë concentreerde zich op de stad Meroë en later op de stad Napata. Het rijk bleef voortbestaan tot aan 350 na Christus.

Dit rijk produceerde zelfs enkele farao's die in Egypte werden ingedeeld in de 25e Dynastie van Egypte. Door oorlog met Assyrië en verschillende vorsten van de Nijldelta, waaronder de 26e Dynastie van Egypte werden ze verdreven uit Egypte, maar hun heerschappij in Nubië ging door. Handel werd gedreven met Afrika en Azië. Het land werd nooit overwonnen door het Romeinse Rijk.

Het nam vele gebruiken van het Oude Egypte over zoals het geloof, schrift en de piramides. Osiris en Isis speelden een grote rol in de dodencultus. Na de 3e eeuw voor Christus werden inheemse goden belangrijk met typische Afrikaanse elementen zoals een olifantengod.[3]. Het schrift was oorspronkelijk gebaseerd op de Egyptische hiërogliefen-schrift maar rond 260 v. Chr. werd er een cursief Meroïtisch schrift ontwikkeld.

Tijdens deze Romeinse periode werden de verschillende delen van het rijk verdeeld in kleinere gebieden met aparte leiders of generaals, die elk kleine legers huurlingen onder zich hadden. Ze vochten allemaal onder elkaar, waardoor het hele gebied erg kwetsbaar werd voor aanvallen van buitenaf.

Op een bepaald moment werd Koesj overwonnen door de Noeba-volkeren, waarvan de naam Nubië werd afgeleid. Volgens Paul Theroux komt Nubie van "nub", wat goud betekent in het Arabisch. De Romeinen noemden vanaf dan het gebied Nobatae.

Drie koninkrijken[bewerken]

Rond 350 werd het gebied overgenomen door Aksum, een Ethiopisch koninkrijk. Het rijk viel echter uit elkaar, en drie kleinere koninkrijken kwamen in de plaats: Nobatië (met de stad Faras) in het noorden, Makurië (hoofdstad Dongola) in het midden, en Aloda (hoofdstad Soba) in het zuiden.

Het gebied werd bekeerd tot het christendom, maar begon zich vanaf 719 van de Grieks-orthodoxe Kerk af te keren, en nam het Koptisch christendom aan als staatsgodsdienst.

Islam[bewerken]

Tegen de 7e eeuw was Makurië de dominante macht in het gebied geworden. Het was dan ook sterk genoeg om de zuidelijke uitbreiding van de islam tegen te houden nadat de Arabieren Egypte hadden overgenomen. Na enkele mislukte invasies van Egypte sloegen de nieuwe leiders een verdrag met Dogomba zodat handel mogelijk werd. Het verdrag hield voor 600 jaar stand. De instroom van Arabische handelaars zorgde er echter voor dat de regio traag maar zeker zich bekeerde tot de islam. Rond 1350 werd de centrale kerk van Dongola omgebouwd tot moskee.

Moderne tijd[bewerken]

In de 14e eeuw viel de Dongolaanse regering in elkaar, en het gebied werd opnieuw gedomineerd door Egypte. Gedurende de volgende eeuwen werd het gebied gedeeltelijk overgenomen door andere landen, en andere gebieden werden kleine koninkrijkjes. Noord-Nubië kwam onder de controle van Egypte, en de rest van het gebied werd geannexeerd door Mehemet Ali in het begin van de 19e eeuw. Het gebied werd later een Engels-Egyptisch condominium.

Aan het einde van het kolonialisme in het gebied werd Nubië verdeeld tussen Egypte en Soedan.

Veel Egyptische Nubiërs moesten verhuizen na de aanleg van het Nassermeer, waarbij de Nijl werd afgedamd bij Aswan. Nubische dorpjes kunnen nu gevonden worden ten noorden van Aswan en op de westoever van de Nijl. Ook in grote steden leven vele Nubiërs.

Het verhaal van Nubië wordt nog vaak in verhalen verwerkt. Men denke aan de opera Aida, waar de kroonprinses van Nubië verliefd wordt op de Egyptische legeraanvoerder; een verboden liefde.

Herontdekking en verplaatsing van tempels[bewerken]

De Italiaan Girolamo Segato bracht grote delen van Nubië in kaart. De Pruis Karl Richard Lepsius organiseerde in 1924 een wetenschappelijke expeditie richting Meroë. Hij publiceerde zijn werk Denkmäler aus Ägypten und Aethiopien.

Ten tijde van de bouw van de Aswandam werden er Oud-Egyptische en Nubische tempels verplaatst:

  • De tempels van Aboe Simbel
  • De tempels van Kalabsja en Beit el-Wali werden verplaats naar Nieuw Kalabsja. Een plek 40 kilometer zuidelijk dan de oorspronkelijk plaats.

Een aantal landen kregen tempels van Egypte geschonken vanwege hun bijdrage aan de reddingsoperatie:

Bronnen en referenties[bewerken]

  1. Egypte, het land van de farao's, Regine Schulz en Matthias Seidel, pagina 145
  2. Egypte, tempels, mensen, goden, Alberto Siliotti, pagina 54
  3. Egypte, het land van de farao's, Regine Schulz en Matthias Seidel, Pagina 293