Repatriëring van Indische Nederlanders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aankomst "ooievaarsschip" Atlantis, Polygoonjournaal 1950

In de periode 1945-1968 vond een grootschalige repatriëring van Indische Nederlanders plaats; ruim 300.000 Indische Nederlanders kwamen vanuit het voormalig Nederlands-Indië naar Nederland. Deze migratie staat bekend als 'repatriëring', dat neerkomt op ‘terugkeren naar het vaderland’, en moet vooral symbolisch worden opgevat nu een groot gedeelte van de repatrianten zelf nooit eerder in Nederland was geweest.

Achtergrond[bewerken]

Directe aanleiding voor de repatriëring was het op 17 augustus 1945 door Soekarno proclameren van de onafhankelijk van Indonesië. Het proclameren van de onafhankelijkheid leidde tot een revolutionaire en chaotische situatie. Japan had weliswaar gecapituleerd, maar omdat er geen geallieerde troepenmacht in zicht was, was er sprake van een machtsvacuüm. Dit mondde uit in een uiterst explosieve situatie; er volgde een inlandse poging tot afrekening met alle buitenlandse invloed, of dat nu Brits, Chinees, Japans of (Indisch) Nederlands was. Deze periode staat bekend als de bersiapperiode

Doordat de situatie voor (Indische) Nederlanders in Nederlands-Indië vlak na de Japanse capitulatie en in Indonesië in de jaren vijftig, na de ‘onafhankelijkheidsoorlog’, vijandig en gevaarlijk bleef, hun ambtelijke functies hen werden afgenomen en hun bezittingen werden geconfisqueerd, repatrieerden de meesten (Indische) Nederlanders noodgedwongen naar hun vaderland: Nederland. Zij weigerden te opteren voor het warga negara Indonesia, het Indonesisch staatsburgerschap.

De repatriëring kende vijf verschillende golven. De eerste golf repatrianten kwamen vrijwel direct na de Bersiap naar Nederland.

Vijf golven[bewerken]

  • 1945-1950: na de capitulatie van Japan en de daaropvolgende Bersiap vertrokken ca. 100.000 (Indische) Nederlanders onmiddellijk of binnen enkele jaren naar Nederland. Het waren met name overlevenden van de Japanse bezetting (binnen- en buitenkampers) en de Bersiap. De opzet was aanvankelijk tijdelijk verblijf in Nederland om bij te komen van de Japanse bezetting (1942-1945). 30.000 van hen gingen terug naar Indonesië.
  • 1950-1957: in verband met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië repatrieerden ambtenaren uit de administratie, het politieapparaat, de rechterlijke macht en het leger naar Nederland. Na de opheffing van het KNIL in juli 1950 repatrieerden veel KNIL-militairen.
  • 1957-1958: naar aanleiding van de Nieuw-Guinea-kwestie en ‘Zwarte Sinterklaas’, die tot gevolg had dat (Indische) Nederlanders in Indonesië tot staatsgevaarlijk werden verklaard, vertrokken ca. 50.000 mensen.
  • 1962: in verband met de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië werden alle op Nieuw-Guinea verblijvende Nederlanders (ca. 14.000 personen) geëvacueerd. In de periode van het zgn. UNTEA-bestuur kwam ook een groep van ongeveer 500 Papoea's, die in Nederlandse overheidsdienst waren geweest, met hun gezinnen naar Nederland.
  • 1957-1964: spijtoptanten waren mensen die na de soevereiniteitsoverdracht hadden gekozen voor het Indonesische staatsburgerschap, maar spijt kregen van hun keuze toen de nieuwe Indonesische samenleving hen discriminatoir ging behandelen. Tot 1958 was het Nederlandse toelatingsbeleid voor hen nog zeer restrictief, maar dat werd vanwege de noodsituatie waarin de spijtoptanten door politieke omstandigheden waren komen te verkeren, verruimd; ca. 25.000 van hen konden alsnog naar Nederland komen en kregen hun Nederlandse nationaliteit terug.[1]

Beleid[bewerken]

In het begin van de jaren vijftig moedigde de Nederlandse regering emigratie uit Nederland aan, vanwege de stagnerende economische groei; ook zo'n 50.000 Indische Nederlanders emigreerden vanuit Nederland naar derde landen. Repatriëring van Indische Nederlanders naar Nederland werd mede hierom niet aangemoedigd. Veel Indische Nederlanders werd het zelfs bemoeilijkt om zich in Nederland te vestigen; verzoeken om voorschotten voor een bootticket te verkrijgen werden vaak afgewezen (een enkele passage vierde klasse kostte in 1957 rond de 1000 gulden). Deze opstelling van de regering zorgde ervoor dat Indische krachten zich gingen bundelen.[2]

In de jaren 1952-1955 zette de Nederlandse regering een rem op de komst van (Indische) Nederlanders, met name van Indo-Europeanen. Deze groep zou, volgens de regering, slecht kunnen aarden in Nederland en moest tegen zichzelf beschermd worden. Alleen bij hoge uitzondering mochten deze gezinnen daarom nog naar Nederland komen. Daarvoor moesten zij een aanvraag (rekest) indienen bij het Hoge Commissariaat.

In 1953 kwam de Nederlandse Hoge Commissaris in Indonesië, A. Th. Lamping, terug op zijn standpunt, dat hij twee jaar eerder in Nederlandse media innam, luidende dat de toekomst van (Indische) Nederlanders in Indonesië lag. Lamping pleitte ditmaal voor versoepeling van de mogelijkheden voor overkomst naar Nederland.[3]

De leefomstandigheden van (Indische) Nederlanders in Indonesië werd zo problematisch, dat ook de Nederlandse regering in 1955 besloot de repatriëringscriteria aan te passen. Hierdoor kwamen vanaf 1955 late repatrianten en spijtoptanten naar Nederland. Spijtoptanten hadden in eerste instantie voor het Indonesisch staatsburgerschap gekozen, maar hadden hier spijt van en opteerden bij aankomst in Nederland voor het Nederlands staatsburgerschap.

Op 5 december 1957 verklaarde Soekarno de laatste nog in Indonesië aanwezige Nederlanders (40.000 personen) staatsgevaarlijk en dwong hij hen voorgoed te vertrekken.[4] Ook Nederlandse bedrijven werden door Indonesië genationaliseerd en Sinterklaas was niet langer welkom. Het betekende ‘Niet uitpakken maar inpakken’. De anti-Nederlandse acties staan daarom ook bekend als ‘Zwarte Sinterklaas’. Het vormde de climax van jarenlang haatzaaien door Indonesische fanatiekelingen op het voorheen Nederlands overzeese grondgebied.

Aankomst van Indische Nederlanders in Rotterdam, 1958

Bijna 40.000 (Indische) Nederlanders vertrokken in de maanden daarop, terwijl de economische banden tussen de twee landen vrijwel geheel werden verbroken. In 1958 is hierdoor een groep van nog eens 10.000 naar Nederland gekomen. Op 17 augustus 1960, vijftien jaar na het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid, werden ook de diplomatieke betrekkingen met Nederland verbroken.

Overigens kwamen toen (nog steeds) niet alle Nederlanders terug, met name (Indische) Nederlanders die sleutelposities bekleedden in het bedrijfsleven bleven in Indonesië. Daarnaast bleef een groep van bij benadering 5.000 (Indische) Nederlanders achter, die om uiteenlopende redenen niet mochten repatriëren naar Nederland.

De komst van Indische Nederlanders was hiermee nog niet beëindigd. Door het verlies van Nieuw-Guinea in 1962 vertrokken circa 20.000 overwegend (Indische) Nederlanders uit dit laatste Nederlandse gebiedsdeel in de oost. In 1968 zette de Nederlandse regering de regeling voor de komst naar Nederland definitief stop.

Hoewel de repatriëring van de (Indische) Nederlanders bekendstaat als geruisloos waren er soms aansluitingsproblemen. De overgrote meerderheid van de repatrianten sprak uitstekend Nederlands, maar een deel van de kinderen die in de jaren zestig naar Nederland kwam had een taalachterstand. In sommige Nederlandse steden ging het zelfs om de helft van de kinderen. De oorzaak was het Indonesische verbod op Nederlands onderwijs vanaf 1958.[5]

Migranten[bewerken]

Met de groep (Indische) Nederlanders kwamen ook migranten naar Nederland. Een bijzondere groep in deze periode vormden de Molukkers, de peranakans en de verstekelingen.

Molukkers weken af van de grote groep repatrianten, omdat zij er niet zelf voor gekozen hadden naar Nederland te komen en ervan uitgingen dat zij slechts tijdelijk in Nederland zouden zijn. Zij waren KNIL-militairen die niet op republikeins grondgebied gedemobiliseerd wilden worden en de republikeinse regering had er bezwaar tegen wanneer dit op de Molukken zou gebeuren, vanwege het uitroepen van de Molukse republiek RMS in april 1950. Daarom besloot de Nederlandse regering in 1951 circa 12.500 Molukkers naar Nederland over te brengen. Daar aangekomen kregen zij te horen dat zij niet langer in dienst van het leger waren. Zij werden opgevangen in voormalige concentratiekampen, zoals Vught en Westerbork, dat toen kamp Schattenberg heette.

Peranakans ("kind van het land") waren Chinezen die geboren en getogen waren in Indonesië of Nederlands-Indië. Een enkeling van deze groep is ook naar Nederland gekomen, maar had minder vaak Europese wortels. Met name in de tijd na de staatsgreep van Soeharto vreesde deze groep voor hun leven. Zij werden beschuldigd van communisme en vervolgd door de regering-Soeharto.

Verstekelingen waren er gedurende de gehele repatriëringsperiode. Zij kozen er om uiteenlopende redenen voor om zonder papieren boord te gaan de van repatriëringsschepen. Een aantal verstekelingen had bijvoorbeeld de Indonesische nationaliteit omdat hun ouders daarvoor gekozen hadden, en kon niet aanmerking komen voor de Nederlandse. Zij 'verstekelden', omdat zij vreesden voor hun leven. Anderen maakten deze keuze uit avonturiersdrang. Daarnaast kwamen door de staatsgreep van Soeharto op 1 oktober 1965 Indonesiërs naar Nederland die zich, eenmaal hier aangekomen, lieten naturaliseren.

De bekendste groep verstekelingen zijn de 70 van mr. Samkalden. In mei 1958, na Zwarte Sinterklaas, bevond een recordaantal verstekelingen zich aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt. Bij aankomst in Nederland werden zij gearresteerd en ondergebracht in kamp Schattenberg. De meesten kwamen in aanmerking voor naturalisatie, maar in oktober 1958 besloot de toenmalige minister van Justitie mr. Samkalden dat circa 30 (37) van hen terug moesten naar Indonesië. Zij werden aan boord gezet van de Johan van Oldenbarneveld (geen -veld, maar - velt) . Onder grote internationale druk besloot de Nederlands regering dat de groep niet in Indonesië, maar op Nieuw-Guinea van boord mocht gaan. Ze liep in Indonesië namelijk het risico vervolgd te worden. Deze groep is later alsnog grotendeels naar Nederland gekomen, na het verlies van Nieuw-Guinea.

Zie ook[bewerken]