Bersiap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Javaanse revolutionaire strijders voor onafhankelijkheid. Ze zijn bewapend met bamboe-roentjing (puntige) bamboesperen, machettes (kapmessen) en enkele geweren afkomstig van de Japanners (1946).

De Bersiap was een uiterst gewelddadige periode in de Nederlandse en Indonesische geschiedenis, die het hevigst was tussen ongeveer oktober 1945 en begin 1946. Bersiap en siap is Maleis voor wees paraat en geeft acht. Het waren de strijdkreten van Indonesische paramilitaire organisaties en bendes, die vrijwel direct na afloop van de Japanse bezetting dood en verderf zaaiden onder met name niet-inlanders, maar ook onder van ‘collaboratie’ met het Nederlandse gezag verdachte inlanders.[1]

Gedurende deze periode zijn (tien)duizenden (Indische) Nederlanders gruwelijk[2] gemarteld, verkracht en vermoord door Indonesiërs, vanwege hun Nederlandse c.q. Europese etniciteit.[3] Ook onder niet-Europese groepen zoals Chinezen, Molukkers en Japanners, vielen veel doden. Het geweld leidde tot gedwongen repatriëring en wereldwijde diaspora van Indisch Nederland.

In tegenstelling tot Nederland[4] heeft Indonesië nooit kritisch gereflecteerd op de door haar onderdanen gepleegde misdaden jegens weerloze burgers.[5] Ondanks daartoe herhaaldelijk te zijn aangespoord door zowel individuen als belangengroeperingen weigert Indonesië de gruwelijkheden te erkennen en daarvoor excuses aan te bieden.[6]

Einde Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Bambu-runcing

Op 15 augustus 1945 maakte de Japanse keizer in een radiotoespraak de capitulatie van Japan bekend. Daarmee kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Aangezien er geen geallieerde of Nederlandse troepen in voormalig Nederlands-Indië aanwezig waren, kregen de Japanners van de geallieerden specifieke orders om de status quo te handhaven totdat geallieerde troepen zouden arriveren. Vice-admiraal Maeda Tadashi was echter beducht voor de gewelddadige inlandse jeugdgroepen en wilde daarom een snelle overdracht van de macht aan de Indonesiërs.[bron?] Tegelijkertijd stelden Soekarno en Hatta zich aanvankelijk terughoudend op, om een conflict met de Japanners te vermijden.

Onafhankelijkheidsproclamatie[bewerken | brontekst bewerken]

Tegen deze achtergrond eisten de pemoeda's,[7] onmiddellijke onafhankelijkheid. Enkele pemoeda's ontvoerden Soekarno uit zijn huis en zette hem met succes onder pressie om twee dagen na de Japanse capitulatie, op 17 augustus 1945, de Republik Indonesia uit te roepen.[8]

Het proclameren van de onafhankelijkheid vormde het begin van een reeks beslissende ontwikkelingen. Japan had weliswaar gecapituleerd, maar omdat er in de daarop volgende weken nog geen geallieerde troepenmacht in zicht was, ontstond er een machtsvacuüm. Dat werd eerst opgevuld door nationale comités en vervolgens vooral door groepen revolutionaire jongeren. Het was het begin van de Bersiap.

Paramilitaire organisaties[bewerken | brontekst bewerken]

Eerder hadden de Japanners een aantal Indonesische paramilitaire organisaties van divers pluimage opgericht, teneinde hen bij te staan in de strijd tegen de geallieerden. Onder hen waren bijvoorbeeld de PETA (Pembela Tanah Air), de Heiho[9] , Seinendan, Keibodan, de Barisan Pelopor (oktober 1943) en ook een specifiek islamitisch korps, de Barisan Hizbullah (december 1944). De leden van de paramilitaire organisaties werden door Japanse instructeurs getraind en waren uitsluitend bewapend met een machette (kapmes) en een bamboe-roentjing (puntige bamboestok) van circa 2 meter lang. In deze paramilitaire milities zaten zeer veel gewelddadige en roofzuchtige elementen.[bron?]

Europese bevolking[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de start van de Bersiap zat een substantieel deel van de Europese bevolking nog vast in Japanse concentratiekampen. In de Buitengewesten zat het merendeel van de Europese burgerbevolking vast in jappenkamppen, terwijl op Java de internering gefaseerd was verlopen. Daar moest het merendeel van de gemengde Nederlanders, de zgn. Indo's aanvankelijk buiten de kampen zien te overleven, de zgn. Buitenkampers. Deze Buitenkampers waren tot op zekere hoogte vogelvrij, omdat zij de 'bescherming' - die de concentratiekampen nu boden tegen de terreur van inlandse milities en bende's - misten. Verhoudingsgewijs vielen er tijdens de Bersiap onder de Buitenkampers de meeste Nederlandse doden. Naarmate de gewelddadigheden toenamen werden er voor de Europese bevolking nieuwe Republikeinse of Opvangkampen ingesteld, al bleken de motieven hiervoor niet zelden het verstevigen van de Republikeinse onderhandelingspositie.

Propaganda[bewerken | brontekst bewerken]

Sutomo spreekt
De Simpangsche Sociëteit in ca. 1910

De massale slachtpartijen werden in de hand gewerkt door de radio-uitzendingen van Radio Pemberontak, waarin openlijk werd opgeroepen tot "uitroeien van alle" (Indische) Nederlanders: d.w.z. zowel totoks en Indo's.[10] Ook verschenen er pamfletten en spandoeken, waarin de inlandse bevolking werd opgeroepen (Indische) Nederlanders uit te roeien.

Een sleutelfiguur in de Bersiap was de uit Soerabaja afkomstige Sutomo van Barisan Pemberontakan Rakjat Indonesia (BPRI). Zowel de populariteit van hemzelf als die van zijn organisatie werden door de vele radio-uitzendingen onder inlanders steeds groter. Sutomo en BPRI waren echter niet uniek. In Soerabaja zetelde vergelijkbare organisaties als het Komite Nasional Indonesia (KNI) en de veiligheidsorganisatie Badan Keamanan Rakjat (BKR).

Simpangsche Sociëteit[bewerken | brontekst bewerken]

De Simpangsche Sociëteit, ook wel de 'Simpang Club' genoemd, was tot 1942 het centrum van vermaak voor de (Indische) Nederlanders uit Soerabaja. Het gebouw werd in 1945 bezet door Pemoeda's en de BPRI en in gebruik genomen als hoofdkwartier van de BPRI onder leiding van Soetomo (Bung Tomo) en zijn groepering.[11]

Op maandag 15 oktober 1945, hielden Indonesiërs een razzia onder (Indische) Nederlanders in Soerabaja. Een deel van de gevangenen werd later die dag gruwelijk gemarteld en vermoord. De gebeurtenissen staan daarom bekend als Bloedige- of Bartholomeus Maandag. De razzia was goed georganiseerd. Dat blijkt wel uit het feit dat zowel de Indonesische politie als andere (militaire) strijdgroepen deelnamen aan de actie, waarbij wijk voor wijk systematisch werd uitgekamd.[12] Naast (Indische) Nederlanders werden ook Molukkers en Timorezen opgepakt.

Van de gevangengenomen Nederlanders werden er circa 1.500 naar de Simpang Sociëteit gebracht, alwaar de Indonesiërs een provisorische ‘rechtbank’ hadden ingericht. Naar schatting 50 tot 200 Nederlanders werden daar gruwelijk en publiekelijk gemarteld en vermoord. Diverse getuigen hebben het echter over tenminste honderden doden.[13] Soetomo heeft hier persoonlijk honderden Indische Nederlanders publiekelijk geëxecuteerd.[14]

Een ooggetuige, wiens verslag is gedocumenteerd door de Opsporingsdienst Overledenen ODO bijkantoor Soerabaja, rapporteerde over de moorden en mishandelingen in het gebouw onder andere[15]:

"Intussen ging de slachting op de dansvloer rustig door. Soetomo vroeg voor elke executie bijwijze van aardigheid aan het publiek wat er met de "Moesoeh" [vijand] van het volk gedaan moest worden. "Boenoeh!" [doden!] word [sic] er dan geschreeuwd. De beul van Rostam trad hierop naar voren om met één houw van zijn samurai-(zwaard) het hoofd van de slachtoffers van de romp te scheiden, waarna de ongelukkige verder aan de bloeddorst van Indonesische jongens van 10, 11 en 12 jaar werd overgelaten. De Indonesische spes patria wierp zich dan met een weerzinwekkende wellust op het lijk om het verder te mutileren. Ik kon niet zeggen hoeveel mensen op die wijze werden afgemaakt, doch dat het aantal in de honderden liep is zeker.[16]

Van mijn plaats uit kon ik in de achtertuin zien, waar aan de kalikant een boom stond. Aan die boom werden om beurten vrouwen vastgebonden die naar de kreten van de beulen en toeschouwers te oordelen, met Jappen hadden geleefd. Door de wimpers van mijn neergeslagen oogleden, zag ik toen een schouwspel zo stuitend, zo weerzinwekkend en afgrijselijk in zijn realiteit, dat het wellicht zijn weerga in de geschiedenis niet vindt. Geheel opgaan in bun luguber bedrijf drilden de beulen - de voorvechters van vrijheid! - hun bamboesperen (bamboe roentjing) om die daarna met al hun kracht in het geslachtsorgaan van het hulpeloze slachtoffer te drijven. Het hartverscheurende gegil en het van mateloze pijn ineenkrimpende en schokkende lichaam van de ongelukkige vrouw deden de moordwoede van de beulen nog meer toenemen. Zij doorboorden de bewuste plaats in het onderlijf net zo lang met hun bamboe-roentjing, totdat de ongelukkige door de verwondingen en het bloedverlies de geest gaf. De lijken werden dan in de Kalimas, achter het gebouw van de Simpang-Club geworpen.[16]"

Bij de Simpang Sociëteit is een Het plakkaat Gedung Balai Pemuda (Pemoeda Hal) en het Monumen Bambu Runcing (Monument Bamboe Roentjing) opgericht.[17]

Revolutie[bewerken | brontekst bewerken]

Dat er sprake was van een revolutionaire explosie met alle consequenties van dien is een notie die door de Amerikaanse historicus Anderson werd ingebracht.[18] Tot dan toe werd de onafhankelijkheidsproclamatie in de geschiedschrijving vrij breed beschouwd als het startpunt van een vrijheidsstrijd, gevoerd door een goed georganiseerde staat en leger. Uiteraard was er extreem geweld, maar dat werd toegeschreven aan criminele en losgeslagen jongeren die met de onafhankelijkheidsstrijd als zodanig weinig van doen hadden. Anderson, terecht of ten onrechte, doorbrak in 1972 dit patroon. Hij wees met nadruk op het revolutionaire, chaotische en gewelddadige karakter van de opstand. Hij sprak dan ook over de `Pemoeda-revolution`. De jongeren, de Pemoeda’s, vormden daarvan de motor, niet de uitwas. Het was deze revolutionaire explosie waarmee zowel het Britse als het Nederlandse leger werden geconfronteerd, nadat dat laatste eind september op Java voet aan wal zetten.

De Indonesische Revolutie werd in de woelige maanden tussen augustus tot en met begin 1946 het centrale probleem waar de betrokken partijen niet omheen konden. Vrijwel alle belangrijke ontwikkelingen en verwikkelingen die tussen 1945 en 1950 plaatsvonden, vonden hun oorsprong in deze beslissende periode.[19]

De Indonesische Revolutie vertoonde intussen weinig samenhang. De Amerikaanse historicus B.R.O.G. Anderson schetst dat het in feite draaide om honderden 'revoluties', gebaseerd op honderden ad hoc gevormde strijdgroepen van Pemoeda. Volgens sommigen is deze visie achterhaald, uit archiefonderzoek zou blijken dat de gewelddadige Bersiap wel degelijk was georganiseerd.[20]

Geweld[bewerken | brontekst bewerken]

Documentaire Archief van Tranen over de moord op (Indische) Nederlanders tijdens de Bersiap

De Bersiap brak in alle hevigheid los nadat de eerste Britse troepen bij Batavia landden. Tot tenminste begin 1946 gingen inlandse paramilitaire organisaties, milities en bendes zich te buiten aan massale gewelddadigheden, waarbij veel doden vielen onder (Indische) Nederlanders, Chinezen, Molukkers en van 'pro-Nederlandse gezindheid verdachte' Indonesiërs. Het geweld ging overigens ook na 1946 door, maar dan op minder grote schaal.

Tijdens de Bersiap werd door Indonesische nationalisten gepoogd af te rekenen met alles dat niet-inlands was,[21] maar ook met de, met de Europeanen samenwerkende, Indonesische adel. De nationalisten wilden met hun acties duidelijk maken dat de tijd van koloniale overheersing voorbij was.

In steden gingen groepen nationalistische jongeren de straat op om met geschreeuw en nachtelijk lawaai de bewoners de stuipen op het lijf te jagen. Ook werden er huizen geplunderd. Pemoeda's bezetten de overheidsgebouwen van waaruit de Nederlanders hun koloniale macht hadden uitgeoefend, en namen de kazernes en wapendepots over.[22] Pemoeda's openden de aanval op de net uit de kampen vrijgekomen (Indisch) Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen.[23] Er werd op grote schaal gemarteld, verkracht en vermoord.[24]

Op 28 oktober 1945 werd een grote aanslag gepleegd op het zgn. Gubeng-transport.[25] Het transport was bedoeld om (Indisch-)Nederlandse burgers te ontzetten uit het toen fel belegerde Soerabaja. Bij de hinderlaag van Indonesische nationalisten kwamen in totaal circa 150 Nederlanders, voornamelijk vrouwen en kinderen, om, en vielen veel gewonden.[26]

De latere Indonesische premier Sjahrir riep zijn bevolking tijdens de Bersiap tevergeefs op om een einde te maken aan de gewelddadigheden.

Slachtoffers[bewerken | brontekst bewerken]

Gedurende de Bersiap kwamen (tien)duizenden (Indische) Nederlanders om. Het exacte aantal Nederlandse burgerslachtoffers dat in deze periode is gevallen is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De schattingen variëren tussen de duizenden tot tienduizenden doden.

Het aantal officieel geregistreerde slachtoffers was 3.500. Onder andere de historicus Loe de Jong[27] evenals het NIOD[28] achtten deze dodencijfers (veel) te laag. Andere schattingen gaan uit van 20.000 tot 35.000 vermoorde Nederlanders.[29]

Ook Chinezen, Molukkers en Nederlandsgezinde Indonesiërs waren slachtoffer van deze strijd. Officiële cijfers over hoeveel slachtoffers er onder deze groepen alsmede onder Indonesiërs onderling zijn gevallen zijn niet bekend.[30]

Reacties[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de hoogtijdagen van de Bersiap waren er, op enkele KNIL-eenheden na, geen Nederlandse troepen aanwezig in voormalig Nederlands-Indië. Vooral in Batavia organiseerden (Indische) Nederlanders en Molukkers zich in milities om hun huizen en gezinnen te verdedigen en de moorden te vergelden. Soms maakten ook zij zich schuldig aan overmatig geweld. Vaak lieten ze zich leiden door wraak, waarbij een moord op een Europeaan of Molukker in veelvoud werd vergolden. Op deze wijze escaleerde het geweld, maar het gelukte de Nederlands-Molukse milities hiermee wel om sommige buurten te beschermen tegen aanvallen.

Tijdens de Bersiap vonden er meerdere militaire operaties plaats om burgers uit handen van inlandse milities en bendes te redden. Een van meest tot de verbeelding sprekende reddingsoperaties is die van KNIL-kapitein Jack Boer, die op 10 november 1945 - in Engels uniform - 2384 ten dode opgeschreven (Indische)Nederlanders uit de beruchte Werfstraatgevangenis in Soerabaja wist te ontzetten.[31] De Nederlanders werden daar gegijzeld door Indonesische strijders, die op het punt zouden hebben gestaan om hen te vergiftigen en vervolgens levend te verbranden. Boer werd bij de actie geassisteerd door tien Engelse Gurkhas en wist daarmee de Indonesische overmacht te trotseren.[32] Bij de actie van Boer sneuvelde een Gurkha-soldaat. Alle Nederlanders overleefden de operatie.

Mede vanwege de chaos besloot Nederland vanaf 1947 om grootschalig Nederlandse militairen in te zetten in voormalig Nederlands-Indië, die eufemistisch Politionele Acties werden genoemd. De operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 ("Operatie Product") en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 ("Operatie Kraai"), met als doel Indonesië opnieuw onder koloniaal bestuur te brengen.[33]

Herdenking[bewerken | brontekst bewerken]

Er bestaat in Nederland geen officiële herdenking voor de slachtoffers van de Bersiap. Wel wordt bij het Nationaal Indië-monument in Roermond jaarlijks stilgestaan bij de gedurende de jaren 1945 - 1962 in Nederlands-Indië en in Nieuw-Guinea in Nederlandse dienst gesneuvelde militairen. Er is dan ook ruimte om de burgerslachtoffers te herdenken die aan Nederlandse zijde zijn omgekomen.[34]

Onderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Grondige en breed opgezette studies naar de Bersiap-periode zijn zeldzaam. Het standaardwerk over dit onderwerp is van de hand van H.Th. Bussemaker, die in zijn proefschrift uit 2012 tot de conclusie komt dat er circa 20.000 (Indische) Nederlanders door Indonesiërs tijdens de Bersiap zijn gedood.[35]

In 2017 startte het samenwerkingsverband van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies een 4-jarig onderzoeksprogramma met als werktitel Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950, waarin ook de Bersiap aandacht krijgt.[36] Het onderzoek veroorzaakt echter vanaf de start [onrust][37], onder met name Indische Nederlanders[38] en ook Nederlandse veteranen roeren zich. Vooral de ervaren bevooroordeelde houding[39] ten opzichte van de Bersiap en – in het verlengde daarvan – het betrekken van Bersiap-ontkenners[40] bij het onderzoek wekt wrevel.[41] Kritiek is er ook van Indonesische en pro-Indonesische activisten.[42]

Kritiek op onderzoekers[bewerken | brontekst bewerken]

Medio 2019 zwol de kritiek verder aan nadat enkele onderzoekers in het publieke debat openlijk pleiten voor het verwijderen van Nederlandse standbeelden en het vernoemen van straten en pleinen naar Soekarno.[43][44] De bewering van een toponderzoeker dat 'racisme in het DNA van KNIL-officieren' zou zitten, deed de woede verder toenemen.[45] Volgens Federatie Indische Nederlanders (FIN) wekken de uitlatingen van de verschillende onderzoekers 'individueel en tezamen' op z’n minst 'de schijn van partijdigheid'.[46]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]