Kamp Westerbork

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kamp Westerbork
Kamp Westerbork
Kamp Westerbork
Ingebruikname 1 juli 1942[1]
Gesloten 12 april 1945[1]
Bevrijding 12 april 1945
Locatie Hooghalen, Drenthe
Verantwoordelijk land nazi-Duitsland
Coördinaten 52° 55′ NB, 06° 36′ OL
Beheerder SS
Gevangenen 107.245
Dodental 638+
Maquette van het kamp naar situatie augustus 1944
Maquette van het kamp naar situatie augustus 1944

Kamp Westerbork (officieel: Polizeiliches Durchgangslager Westerbork) was een doorgangskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog in de voormalige gemeente Westerbork in Drenthe. Kamp Westerbork is bekend geworden als voorportaal waarvandaan 107.000 in Nederland wonende Joden, 245 Sinti en Roma en enkele tientallen verzetsmensen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen in Duitsland, Polen en Tsjechië.

Het kamp werd in 1939 gebouwd als Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork. Dit gebeurde in opdracht van de Nederlandse regering. Deze eiste in termijnen terugbetaling van de kosten (ruim 1 miljoen gulden) door de Nederlandse Joodse gemeenschap. Ruim twee jaar na het begin van de Duitse bezetting, op 1 juli 1942, namen de nazi's het kamp over, waarna Westerbork functioneerde als doorgangskamp.

Vluchtelingenkamp Westerbork[bewerken]

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog vluchtten duizenden Duitse en Oostenrijkse Joden voor de naziterreur de grens met Nederland over. De Nederlandse regering wilde in die tijd op goede voet blijven staan met Duitsland, dus sloot ze op 15 december 1938 de grens[2] en bestempelde de vluchtelingen tot ongewenste vreemdelingen. In februari 1939 besloot de Nederlandse regering tot de bouw van een groot kamp voor deze vluchtelingen, die tot dan toe op verschillende plaatsen in Nederland werden opgevangen.

Aanvankelijk zou dat kamp bij Elspeet worden gebouwd. Deze plannen stuitten op verzet van de plaatselijke bevolking en de ANWB, die vond dat de Veluwe aantrekkelijk moest blijven voor vakantiegangers. Waar deze protesten weinig gehoor vonden, gaf het bezwaar van koningin Wilhelmina de doorslag. Zij vond de afstand vanaf het geplande vluchtelingenkamp tot haar zomerverblijf paleis Het Loo veel te klein.[3][4] Op 22 april liet minister van Boeijen de koningin weten dat de regering had afgezien van het vestigen van een vluchtelingenkamp op de Veluwe.[5]

Het vluchtelingenkamp werd gevestigd op het Amerveld op de Drentse heide tussen Hooghalen, Zwiggelte en Grolloo. In de ontwerpfase heette het "kamp Zwiggelte".[6] Het was gelegen in de gemeente Westerbork. In augustus 1939 werden door arbeiders van de Rijksdienst voor de Werkverruiming de eerste barakken gebouwd van Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork. De vluchtelingen die op 9 oktober 1939, waaronder die van het met rampspoed geplaagde schip St. Louis, in het kamp aankwamen, konden meteen aan de slag bij de afbouw van het kamp.

Op 10 mei 1940 is gepoogd om de Joodse vluchtelingen in kamp Westerbork via Zeeland naar het Verenigd Koninkrijk te brengen. Dit plan, dat tot stand kwam op initiatief van A.S. Levisson, de opperrabbijn van Friesland en Drenthe, mislukte echter doordat de trein met vluchtelingen de gesaboteerde IJsselbruggen bij Zwolle niet kon passeren. Via een lange omweg keerden de vluchtelingen terug naar Westerbork. Toen de nazi's het kamp twee jaar later overnamen, maakten ze gebruik van de reeds bestaande kampstructuur van het Centraal Vluchtelingenkamp. De directeur van het vluchtelingenkamp, de Nederlandse reserve-kapitein Jacques Schol, bleef ook na 1 juli 1942 in kamp Westerbork aanwezig. De Duits-Joodse vluchteling Kurt Schlesinger was in februari 1942 door Schol aangesteld als Oberdienstleiter. Schlesinger zou ook onder de nazi's een belangrijke rol blijven vervullen als leider van de kamporganisatie die zo goed als volledig bestond uit Joodse gevangenen.

Doorgangskamp Westerbork[bewerken]

Plattegrond Westerbork (1944)

Kamp Westerbork kwam op 1 juli 1942 onder rechtstreeks nazi-bestuur. Als Polizeiliches Durchgangslager Westerbork werd het een doorgangskamp voor Joden, Sinti en Roma en verzetsmensen. Vanaf 1 juli tot 1 september 1942 was Erich Deppner Lagerkommandant. Vervolgens werden dat tot 9 oktober 1942 Josef Hugo Dischner en enkele dagen Bohrmann. Vanaf 12 oktober 1942 tot 11 april 1945 was de SS'er Albert Konrad Gemmeker commandant van het kamp. Schol bleef aan tot januari 1943, maar was ondergeschikt aan de Duitse commandanten.

Deppner en zijn opvolgers accepteerden een staf van Duitse Joden, met Schlesinger aan het hoofd. Zodoende werden veel belangrijke posities in de kamporganisatie bekleed door Duitse of Oostenrijkse Joden. Zij hadden privileges en functies bij onder andere de Ordedienst (OD) en de Fliegende Kolonne (samen onder leiding van de uit Oostenrijk afkomstige Jood Arthur Pisk), en waren dan (althans tijdelijk) van deportatie vrijgesteld (gesperrt, in tegenstelling tot transportfrei). Ook om andere redenen konden mensen op een lijst van gesperrten staan. Zo'n lijst kon echter platzen, dat wil zeggen dat IV B 4-Den Haag de bescherming voor het transport ophief.

Leefomstandigheden[bewerken]

De overgrote meerderheid van de gevangenen verbleef slechts enkele dagen tot weken in het kamp, een relatief klein aantal verbleef maanden tot soms zelfs jaren in het kamp. Zij die langere tijd in kamp Westerbork verbleven leerden, na de eerste schok van arrestatie en deportatie naar Drenthe te boven te zijn gekomen, kamp Westerbork kennen als een kamp waar de leefomstandigheden relatief goed waren. Mishandelingen en moord kwamen er nauwelijks voor, gezinnen bleven bij elkaar, en over het algemeen was er voldoende te eten. Daarnaast waren er vele voorzieningen aanwezig, waaronder een winkel, scholen, een uitstekend ziekenhuis en een theater waar kwalitatief goede shows op de planken werden gebracht.[7] Desondanks draaide het in kamp Westerbork uiteindelijk maar om één ding: het transport dat bijna wekelijks vertrok, in de beginperiode zelfs twee maal per week. De angst op transport te worden gesteld beheerste het kampleven.

Waar het leven in het kamp zo normaal mogelijk moest lijken, vonden vlak buiten het kamp, achter het kampcrematorium, in het najaar van 1944 minimaal 52 maar mogelijk meer executies plaats van verzetslieden die in Noord-Nederland actief waren geweest.

Deportaties[bewerken]

Transport naar Auschwitz, 1944.
Film door Rudolf Breslauer

Vanuit kamp Westerbork vertrok 93 keer een trein; vaak naar Auschwitz maar ook naar Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen. Slechts 5.000 Joden en 32 Sinti en Roma die vanuit kamp Westerbork werden gedeporteerd, overleefden de Tweede Wereldoorlog. Op 12 april 1945 bevrijdden de Canadezen 876 Joodse gevangenen in kamp Westerbork. Van hen hadden 500 de laatste trein zien vertrekken, de rest was in de laatste oorlogsmaanden opgepakt.

De gevangenen kwamen per trein aan en werden per trein afgevoerd. Het eerste transport vertrok op 15 juli 1942. Aanvankelijk ging dit via station Hooghalen, waarbij de afstand van 7 km tussen het station en het kamp te voet moest worden afgelegd. In november 1942 kwam de verbinding met het landelijk spoorwegnet gereed, waarna de treinen vanuit het kamp zelf konden vertrekken.
De verblijfsduur in het kamp varieerde sterk, van enkele uren tot jaren. Bijna wekelijks, gedurende de eerste maanden twee maal per week, vertrok er een trein uit kamp Westerbork, die een grote groep kampbewoners via Assen, Groningen en Nieuweschans naar het oosten bracht.[8] De bestemmingen waren kampen als Auschwitz I-Stammlager of Auschwitz II-Birkenau (54%, 65 treinen) en Sobibór (34%; 19 treinen[9]) of naar Theresienstadt (5%) en Bergen-Belsen (5%). Een dergelijke reis duurde gemiddeld drie dagen.

De trein werd tot Nieuweschans door Nederlands spoorwegpersoneel bemand, en vanaf Nieuweschans door de Duitse Reichsbahn. De laatste treinen vertrokken op 3 september 1944 naar Auschwitz, op 4 september 1944 naar Theresienstadt, en op 13 september 1944 naar Bergen-Belsen.

In totaal werden van 15 juli 1942 tot en met 13 september 1944 ruim 107.000 gevangenen vanuit Westerbork per trein gedeporteerd. Hoeveel gevangenen gedeporteerd moesten worden en waar naar toe werd steeds door IV B 4-Berlijn bepaald, op basis van de capaciteit van de concentratiekampen en de beschikbare treinen. De selectie onder de Transportfreien gebeurde grotendeels in het kamp zelf, de Joodse kampadministratie speelde hierin noodgedwongen een belangrijke rol. Slechts 5.000 van de gedeporteerden keerden levend terug naar Nederland, ongeveer 102.000 van hen zijn vermoord, vermist of voor hun terugkeer gestorven door geleden ontberingen.[10]

Gevangenen[bewerken]

In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden de Joodse werkkampen die verspreid waren over heel Nederland leeggehaald en werden ook de aanverwanten afgevoerd naar kamp Westerbork. Er arriveerden 10.000 mensen op één dag.

Enkele personen van wie de namen onverbrekelijk verbonden zijn met de holocaust, hebben in kamp Westerbork gevangengezeten. Etty Hillesum werkte er als verzorgster en verbleef er later met haar ouders en broers. Anne Frank en haar familie kwamen aan op 8 augustus 1944 en werden op 3 september met de laatste trein van Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Ook het Sinti-meisje Settela Steinbach is via Westerbork gedeporteerd.

Philip Mechanicus, een in zijn tijd bekend journalist van het Algemeen Handelsblad, werd op 7 november 1942 naar Westerbork afgevoerd en op 8 maart 1944 op transport gesteld naar Bergen-Belsen; op 9 oktober 1944 werd hij met een straftransport van 120 man naar Auschwitz gebracht, waar hij drie dagen later werd doodgeschoten. Mechanicus hield in Westerbork een dagboek bij, uitgegeven onder de titel In Dépôt. Dagboek uit Westerbork, dat een indringende blik biedt op het dagelijks leven in kamp Westerbork.

Westerbork Serenade, opgenomen door de in Westerbork opgesloten artiesten Johnny & Jones in 1944

Het destijds populaire Joodse duo Johnny & Jones (Nol van Weezel en Max Kannewasser), Nederlands eerste tieneridolen, behoorde tot de groep gevangenen die voor vliegtuigdemontages af en toe onder voorwaarden het kamp konden verlaten. Zo waren ze in de gelegenheid om zes in kamp Westerbork gecomponeerde liedjes, waaronder de 'Westerbork Serenade' in Amsterdam op te nemen. Johnny en Jones hebben de Tweede Wereldoorlog niet overleefd.

Ed van Thijn, de latere minister en burgemeester van Amsterdam, zat tweemaal opgesloten in kamp Westerbork. De eerste keer in 1943; hij werd toen met zijn moeder weer vrijgelaten. Na een onderduikperiode langs 18 verschillende adressen kwam de 10-jarige Van Thijn eind 1944 opnieuw in kamp Westerbork terecht, waar inmiddels een eind was gekomen aan de deportaties. Na de bevrijding werd hij als tienjarige jongen nog een tijd ingezet als bewaker van geïnterneerde NSB'ers.

Vanaf Dolle Dinsdag (5 september 1944), kwamen naast weinige nieuwe joodse gevangenen ook ongeveer 3.500 NSB-gezinnen, -leden en andere pro-Duitse Nederlanders en collaborateurs in het doorgangskamp Westerbork terecht voor opvang. Uit Westerbork werden zij tegen het einde van die maand naar Thüringen, Beieren en de Lüneburger Heide geëvacueerd voor een dreigende geallieerde invasie en bijltjesdag.[11] Een groot deel van deze politieke delinquenten en NSB-gezinnen werd na 1945 tot 1948 opnieuw in kamp Westerbork gevangengezet.

Na het laatste transport bleven er 500 gevangenen achter in het kamp, waaronder de Joodse kampleiding. In de laatste oorlogsmaanden groeide hun aantal tot 876, waaronder bijvoorbeeld ontdekte onderduikers. Hoewel het gevaar van deportatie na 13 september 1944 was geweken, bleef de angst voor deportatie tot het moment van de bevrijding bestaan.

Ontsnappingen[bewerken]

Naar schatting zijn er 200 mensen uit kamp Westerbork ontsnapt. Ontsnappen kwam niet vaak op in de gedachte van de kampbewoners. Men dacht dat de transporten naar werkkampen in Polen gingen. De meeste mensen wilden bij de familie blijven. Dus gelijktijdig met de familie op transport, was bij de meesten de beste optie. De dreiging met "straftransport" van andere gevangenen, als er één persoon ontvluchtte, heeft het aantal ontsnappingen zeker beperkt. Verder was het haast onmogelijk om ongezien het kamp, dat op een kale vlakte stond, te verlaten. Er was enkel een reden om te ontsnappen, voor diegenen die in Nederland wilden blijven. Enkele ontsnapten:

  • Jobje v.d. B. was een vrouw die in een wasserij in de stad te werk was gesteld. Daar ontmoette zij haar voormalige kinderjuffrouw. Deze bezorgde haar een vals identiteitsbewijs en 25 gulden, zodat zij enkele dagen daarna weg kon lopen.
  • Lore Polak, zij ging terug naar haar onderduikadres bij de weduwe van Johan Benders.
  • Bep Turksma wist eind 1942 als nachtzuster te ontsnappen en arriveerde in april 1944 in Londen.
  • Sonja Wagenaar ontsnapte met zeven anderen uit een rijdende trein.
  • Zvi Eyal (1 november 1925 als Harry Klafter) wist voor de laatste transporten te vluchten door met een heggenschaar een onzichtbare opening in het hek te maken. 's Avonds tegelijk met de sirene voor het appel is Eyal met zijn broer Manfred daardoorheen geglipt, werden vervolgens ontdekt en achtervolgd maar na uren rennen, waarbij ze de spoorlijn als baken gebruikten, bereikten de broers tegen de ochtend Assen. Tot de bevrijding zijn ze in Amsterdam ondergedoken
  • Rosey E. Pool ontsnapte op 19 september 1943 uit het kamp. De week daarvoor had zij ternauwernood uit de vertrekkende trein naar Auschwitz kunnen springen. Met behulp van de verzetsgroep-Van Dien kreeg zij toestemming het kamp te verlaten om boeken te kopen in Amsterdam, voor de kampbibliotheek. Zij keerde niet meer terug. Tot de oorlog zat zij ondergedoken in Baarn en overleefde de oorlog.

Bevrijding[bewerken]

Prins Bernhard bij de bevrijding van Westerbork

Op 12 april 1945 werd het doorgangskamp Westerbork met haar joodse gevangenen door Canadese soldaten bevrijd. Squadron B en C lagen bij het Oranjekanaal en trokken die ochtend naar Spier waar zij Franse paratroepers ontmoetten, die in de nacht van 7 op 8 april waren gedropt tijdens de operatie Amherst. In de middag van 11 april vluchtten de Duitsers. Gemmeker droeg bij zijn vertrek het commando over aan de eerste dienstleider Kurt Schlesinger die op zijn beurt het commando overdroeg aan Aad van As, die als enige niet-Jood en niet-nazi jarenlang in het kamp werkte. Deze overdrachten vonden plaats door het overhandigen van een klein pistool. Van As vroeg het hoofd van de buitendienst Zielke de Canadezen tegemoet te gaan wat deze deed; hij overhandigde de Canadezen de gegevens over het kamp. Hoewel het kamp nu was bevrijd moesten sommige Joden nog weken in het kamp blijven alvorens zij Westerbork mochten verlaten.
Bij de bevrijding renden de Joodse gevangenen de Canadezen tegemoet. Deze deelden sigaretten en chocolade uit, maar daarna moesten de bewoners terug naar het kamp en daar tot nader order blijven, omdat de omgeving van het kamp nog te gevaarlijk was en gecompromitteerde personen in het kamp die met de Duitsers hadden samengewerkt eerst moesten worden opgepakt en verhoord. De Royal Hamilton Infanterie nam het gezag over en de wachttorens werden bemand met mensen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, die onder gezag van Prins Bernhard stonden. De Canadezen trokken de volgende dag verder richting Assen.

Na de oorlog: van Interneringskamp voor NSB'ers naar woonoord Schattenberg[bewerken]

Na de bevrijding is het kamp van 17 april 1945 tot 1 januari 1949 door de Nederlandse overheid gebruikt voor het in afwachting van hun proces gevangen houden van NSB'ers en andere collaborateurs en politieke delinquenten. In met name de eerste periode dat het interneringskamp bestond, kwamen tientallen gevangenen om het leven door epidemieën, systematische ondervoeding en mishandeling.[12] Deze doden onder de politieke gevangenen (NSB'ers en Nederlandse vrijwilligers van de Waffen-SS en SD) werden in een nabijgelegen bos in een massagraf bijgezet door de Nederlandse bewakers.[13]

Daarna werd het korte tijd een militair kampement van 1 december 1948 tot september 1949. Van 4 juli 1950 tot maart 1951 was het een repatriëringskamp voor Indische Nederlanders. In 1951 werd het kamp ten slotte ingericht als woonoord voor gedemobiliseerde KNIL-militairen van Zuid-Molukse afkomst, en hun gezinnen. Het kreeg toen de nieuwe naam Schattenberg, naar een historische grafheuvel in de buurt. De eerste Molukkers arriveerden hier op 22 maart 1951; ze waren een dag eerder in Rotterdam aangekomen met de Kota Inten. In 1971 vertrokken de laatste gezinnen uit hun woonbarakken

In de tweede helft van de jaren zestig zijn een aantal barakken van kamp Westerbork verkocht, veelal aan boeren die de oude barakken op hun eigen erf weer opbouwden en in gebruik namen als stal of opslagschuur. De restanten van het kamp werden vervolgens afgebroken. Op het terrein werden in 1970 vijf van de in totaal 14 schotels van de Westerbork Synthese Radio Telescoop geplaatst en in 1999 gemoderniseerd.

Huidige situatie[bewerken]

Vrijwel alle authentieke gebouwen van voormalig kamp Westerbork zijn verwijderd, op het terrein verwijzen symbolische reconstructies naar voormalige kampgebouwen en barakken.

Het voormalige kampterrein is nu een groene vlakte. Iets verderop is het Herinneringscentrum Kamp Westerbork gevestigd. Een aantal gebouwen is gemarkeerd door verhoogde taluds, die met gras begroeid zijn. Behalve de commandantswoning en de aardappelkelder bevinden zich op en in de onmiddellijke omgeving van het kamp geen originele gebouwen meer; een klein overdekt informatiepunt met maquette ligt verzonken langs de voormalige hoofdweg. Een aantal gedeeltelijke reconstructies in beton geven een indruk van hoe de barakken eruit hebben gezien.

Het Herinneringscentrum Kamp Westerbork probeert barakken, die vaak slechts gedeeltelijk behouden zijn gebleven, weer terug te halen om ze terug te plaatsen op het kampterrein. Eén van deze barakken, barak 57, die veertig jaar bij Veendam had gestaan, ging vlak voor een dergelijke verplaatsing door brandstichting verloren. Enkele resten van deze barak hebben een plek gekregen in de permanente tentoonstelling van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork.[14][15]

Monumenten[bewerken]

Op het terrein staat het Nationaal Monument Westerbork op de plek waar de spoorbaan eindigde. Een halve kilometer ten zuiden van de hoofdingang van kamp Westerbork bevond zich het kampcrematorium en tegenwoordig het verzetsgraf waar onder meer verzetsstrijders zijn vermoord. Honderd meter voor de ingang van het kamp verwijzen de Tekens van Westerbork naar de bestemmingen waar de gevangenen heen gebracht zijn en vermelden hun aantallen. Midden op het terrein, op de toenmalige appèlplaats, is het monument de 102.000 stenen geplaatst. De gesproken namen is een monument waarbij vanuit een gerestaureerde wagon dagelijks de namen worden voorgelezen die op transport zijn gesteld.

De Jesusalem Stone, geschenk van de staat Israël

Op het terrein ligt ook de Jerusalem Stone ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de naziterreur en kamp Westerbork. Deze steen komt uit de heuvels bij Jeruzalem en is een geschenk van de staat Israël. Hij werd op 3 maart 1993 onthuld door de Israëlische president Chaim Herzog, in aanwezigheid van koningin Beatrix. Zulke stenen zijn ook in Auschwitz en in Bergen-Belsen geplaatst. De steen draagt de Bijbeltekst '…en mijn smart staat mij bestendig voor ogen' (Psalm 38 vers 18).

Varia[bewerken]

  • Op 7 augustus 2006 brachten de selecties van FC Emmen en BV Veendam een bezoek aan het voormalige doorvoerkamp. Na de rondleiding door Frits Barend speelden de beide selecties een benefietwedstrijd ten behoeve van voormalig kamp Westerbork.
  • In de omringende bossen bevindt zich een stortplaats van batterijen die door gevangenen werden ontmanteld. Op deze plaats heeft lange tijd niets gegroeid, totdat in 2009 het zeer zeldzame ongezoomd ertsmos werd aangetroffen.[16]
  • Sinds 2012 bestaat het Westerborkpad. Deze wandelroute in het spoor van de Jodenvervolging in Nederland loopt van de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam naar de ingang van het voormalige kamp.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Verhalen uit kamp Westerbork. Onder red. van Dirk Mulder en Ben Prinsen. Assen, Van Gorcum, 1995. ISBN 90-232-3024-8
  • Philip Mechanicus: In Dépôt. Dagboek uit Westerbork. Inl. door Dirk Mulder en Jacques Presser. Hooghalen, Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 2008. ISBN 9789074274210 (1e t/m 4e druk, 1964, 1978, 1985 en 1989: Amsterdam, Polak & Van Gennep) Digitale versie bij de DBNL
  • Etty Hillesum: Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum 1941-1943 (ingeleid door Jan Geurt Gaarlandt), Haarlem: De Haan, 1981. (34e druk 2014: ISBN 978-94-6003-726-9)
  • De 102.000 namen lezen (Fotografie Sake Elzinga). Hooghalen, Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 2015. ISBN 978-90-72486-60-8
  • E.A. Cohen: De negentien treinen naar Sobibor. Amsterdam, Elsevier, 1979. (3e druk, Amsterdam, Sijthoff, 1985: ISBN 90-218-3370-0)

Externe links[bewerken]