Kamp Erika

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kamp Erika
Kamp Erika
Kamp Erika
Bevrijding 11 april 1945
Locatie Ommen
Coördinaten 52° 30′ NB, 6° 27′ OL

Kamp Erika (Duits: Justizlager Ommen, Arbeitseinsatzlager Erika, na de Tweede Wereldoorlog Kamp Erica) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een strafkamp in de bossen van Ommen. Het was gevestigd op de plaats waar voor de oorlog de Sterkampen van de theosofische beweging werden gehouden, met Krishnamurti als spreker. De laatste bijeenkomst van de theosofische beweging werd gehouden in de maand augustus van het jaar 1939.

Onder Duits bevel[bewerken]

Bereitsschaftführer Werner Schwier, hoofd van het Referat Internationale Organisationen kreeg in het najaar van 1940 de opdracht om nazi-vijandige organisaties te liquideren. Ook het Sterkamp, ontkwam niet aan de greep van het Referat, want voor het uitbreken van de oorlog was het in gebruik geweest door de volgelingen van Krishnamurti. Schwier gaf opdracht om het kamp volledig in bezit te nemen. Het was in eerste instantie niet duidelijk wat zijn voornemen was. Een kamp met gebouwen, barakken, keukens, etc. in een bosrijke omgeving, dicht bij de Duitse grens, kon zich uitstekend gaan lenen voor een nog nader te bepalen doel. Schwier stelde de Nederlandse collaborateur Karel Lodewijk Diepgrond aan als Lagerführer (kampcommandant). Diepgrond was eerder vertaler bij de Sicherheitsdienst in Amsterdam. Zijn eerste taak was het rekruteren van de eerste kampbewakers: voornamelijk Amsterdamse werklozen, aangevuld met SS-ers die in Ommen een opleiding kregen tot kampbewaker. 48 kandidaten werden in dienst genomen. Diepgrond kwam op 13 juni 1941 in Ommen aan samen met de nieuwe bewakers, waarna begonnen werd met de constructie van het kamp.

Het kamp werd op 22 juni 1942 in gebruik genomen als Arbeitseinsatzlager Erika, een justitieel strafkamp om de overvolle gevangenissen te ontlasten. De eerste gevangenen kwamen echter al op 19 juni 1942 aan. De gevangenen waren veelal zwarthandelaren en illegale slachters, mensen die de distributiewetten hadden overtreden. Alle rapporten werden in de Duitse taal geschreven en orders werden ook in het Duits gegeven. De bewakers werden als KK (Kontrolle Kommando) aangesproken. Zowel de kampleiding als de bewakers kregen Duitse rangen toegewezen.

Mede door de afgelegen ligging van het kamp konden de bewakers ongehinderd hun gang gaan met het beestachtig mishandelen van de gevangenen. Dwangarbeid, ziektes, ondervoeding, mishandeling en regelrechte moord kostten zeker 170 gevangenen het leven. Slechts acht Joden kwamen in dit kamp terecht, maar zij hadden het nog zwaarder dan de rest. Volgens een van hen, die ook de concentratiekampen in Duitsland overleefde, was Erika het ellendigste kamp: "Nergens anders ben ik zo systematisch lichamelijk mishandeld." Na een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden weigerden Nederlandse rechters om nog langer veroordeelden naar Ommen te sturen.[1] Er waren toen al bijna 3.000 gevangenen door de hel van het kamp gegaan. De betrokken rechters van het Gerechtshof Leeuwarden zijn door de Duitse bezettingsmacht vanwege grof plichtsverzuim ontslagen.

In 1943 werd Erika een opvoedingskamp, een Arbeitserziehungslager voor landlopers en bedelaars, maar ook voor mensen die zich hadden onttrokken aan de arbeidsplicht in Duitsland. De bewakers traden nu iets minder hard op, hoewel er nog steeds werd geslagen en geschopt.

In het najaar van 1944 werd Erika weer een strafkamp, deze keer bewaakt door de Ordnungspolizei, de SS en de Sicherheitsdienst. Hiertoe behoorde ook Herbertus Bikker, die deel uitmaakt van de vaste knokploeg van kamp Erika die nietsontziend jacht maakte op onderduikers en verzetsmensen. Tijdens deze moorddadige expedities verwierf hij zijn bijnaam: de Beul van Ommen.

Tijdens de laatste acht maanden van de oorlog heeft Erika hooguit 501 gevangenen geteld, maar er werden zeker negen mensen doodgeschoten. Hieronder waren de verzetsman Jan Houtman, die door Bikker werd geëxecuteerd, en de onderduiker Herman Meijer.

Bevrijding en straffen[bewerken]

Kamp Erika werd op 11 april 1945 bevrijd. Werner Schwier werd na de oorlog gearresteerd en gevangengezet in een interneringskamp nabij Brussel. Hij wist hieruit te ontsnappen en naar Duitsland te vluchten. Schwier heeft nooit in Nederland terechtgestaan. Diepgrond werd op 13 mei 1949 tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij werd vervroegd vrijgelaten in 1957 na 8 jaar te hebben gezeten. Zijn rechterhand, Hauptzugführer De Jong, werd doodgeschoten in 1945, enkele weken na zijn ontsnapping uit Westerbork waar hij na de oorlog was opgesloten. KK officier Driehuis, het derde lid van de leiding van kamp Erika werd op 3 juni 1945 ter dood veroordeeld voor zijn wreed optreden jegens de gevangenen. Die straf werd uitgevoerd in 1947.

Ook Herbertus Bikker werd eerst ter dood veroordeeld, maar deze straf werd omgezet in een levenslange gevangenisstraf. Hij ontsnapte echter en wist Duitsland te bereiken. Na diverse omzwervingen werd hij weer aangeklaagd, maar om gezondheidsredenen kon hij vanaf februari 2004 niet aan de zittingen deelnemen. Om deze reden hoefde hij de gevangenisstraf ook niet uit te zitten. Uiteindelijk overleed hij op 1 september 2008.

Onder Nederlands bevel[bewerken]

Na de oorlog werden er in het kader van de bijzondere rechtspleging 2000 colloborateurs opgesloten in afwachting van hun berechting. Het betrof voornamelijk boeren en middenstanders maar ook een aantal mensen uit hogere kringen die lid waren geweest van de NSB.

Deze pro-Duitse 'foute' personen werden in eerste instantie door de bewakers aan een hardvochtig regime onderworpen. Onder druk van het Canadese opperbevel werd het kamp echter onder een andere leiding gesteld. De meer open leiding zorgde ervoor dat de geïnterneerden in omliggende steden werden ingeschakeld bij het puinruimen en de wederopbouw. De medische verzorging en hygiëne in het laatste oorlogsjaar en de eerste naoorlogse jaren lieten echter nog veel te wensen over. Op diverse plaatsen in Nederland heersten tyfusepidemieën. In juli 1945 brak er in Kamp Erica en in het naburige Ommen een tyfusepidemie uit die duurde tot voorjaar 1946. In korte tijd stierven vele gedetineerden. Aan het eind van de epidemie werden diverse patiënten naar ziekenhuizen in de omgeving gebracht alwaar ze alsnog aan de gevolgen overleden.

Volgens sommige bronnen overleden er in het kamp zelf 120 mensen en in de omliggende ziekenhuizen ruim 200. Het precieze aantal valt niet vast te stellen omdat een deel van de gevangenen zwaar ziek naar huis werd gestuurd en thuis is overleden. Na vele protesten tot op regeringsniveau toe werden er verbeteringen aangebracht en kwamen er medicijnen beschikbaar. Veel gevangenen werden uiteindelijk vervroegd naar huis gestuurd zonder ooit veroordeeld te zijn.

Opheffing[bewerken]

Op 31 december 1946 werd kamp Erica opgeheven. Op het voormalige kampterrein is nu een camping/bungalowpark gevestigd, vakantiecentrum Besthmenerberg (Vacantievreugd). Een kruis en een bescheiden gedenksteen in het bos herinneren aan de gruweldaden die hier zijn begaan.