Samenstelling Tweede Kamer 1845-1848

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1845-1848 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode tussen oktober 1845 en oktober 1848. De zittingsperiode ging in op 21 oktober 1845 en eindigde op 16 oktober 1848.

Er waren toen 58 Tweede Kamerleden, die verkozen werden door de Provinciale Staten van de 11 provincies die Nederland toen telde. Tweede Kamerleden werden verkozen voor een periode van drie jaar. Elk jaar werd een derde van de Tweede Kamer vernieuwd.

Samenstelling na de verkiezingen van 1845[bewerken | brontekst bewerken]

Regeringsgezinden (22 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Gematigde liberalen (21 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (14 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Separatisten (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bij de verkiezingen van 1845 werden 18 Tweede Kamerleden gekozen.
  • De verkiezing van Pieter François Timmers Verhoeven (regeringsgezinden) werd betwist omdat er bij zijn verkiezing in de Provinciale Staten van Zuid-Holland twee blanco stemmen waren uitgebracht en hijzelf twee stemmen meer had behaald dan zijn tegenkandidaat. Hierdoor was de vraag of hij wel een absolute meerderheid had behaald. De Tweede Kamer oordeelde dat dit het geval was geweest en Timmers Verhoeven werd op 21 oktober 1845 geïnstalleerd.
  • Nicolaas Pieter Jacobus Kien (regeringsgezinden) werd op 13 september 1845 door de Provinciale Staten van Utrecht verkozen als opvolger van de op 23 juli dat jaar overleden Walraven Robbert van Heeckeren van Brandsenburg, die in 1844 werd verkozen. De Tweede Kamer besloot hem op 27 oktober 1845 echter niet toe te laten als lid omdat er sprake was van onregelmatigheden. Na nieuwe verkiezingen werd hij wel toegelaten en op 12 november dat jaar werd hij geïnstalleerd.
  • Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt (regeringsgezinden) werd op 12 november 1845 geïnstalleerd, nadat hij door de Provinciale Staten van Friesland als Tweede Kamerlid was verkozen, als opvolger van de in 1843 verkozen Seerp Brouwer (gematigde liberalen), die op 28 juli 1845 ontslag had genomen uit het parlement.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1845[bewerken | brontekst bewerken]

1846[bewerken | brontekst bewerken]

1847[bewerken | brontekst bewerken]

1848[bewerken | brontekst bewerken]

  • 29 juni: Lodewijk Caspar Luzac (liberalen) nam ontslag vanwege overspannenheid. De Provinciale Staten van Zuid-Holland verkozen Æneas Mackay (antirevolutionairen) als zijn opvolger. Hij werd op 11 juli dat jaar geïnstalleerd.
  • 30 juni: Louis Beerenbroek (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot hertogelijk-Limburgs commissaris voor de Duitse hoofdzaken. De Provinciale Staten van Limburg verkozen Hendrik Herman Geradts (gematigde liberalen) als zijn opvolger. Hij werd op 19 juli dat jaar geïnstalleerd.
  • 18 september: Josias de Backer (liberalen) vertrok uit de Tweede Kamer. De Provinciale Staten van Zeeland verkozen Jan Jacob Slicher van Domburg (gematigde liberalen) als zijn opvolger. Hij werd op 5 oktober dat jaar geïnstalleerd.
  • 18 september: 58 buitengewone Tweede Kamerleden werden geïnstalleerd vanwege de op til zijnde grondwetsherziening. Hun lidmaatschap liep voor de duur van de lezing van de grondwetsherziening. Na de goedkeuring van de grondwetsherziening liep het mandaat van deze buitengewone leden op 7 oktober 1848 af. De buitengewone leden worden hieronder vermeld.

Buitengewone leden[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (28 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Gematigde liberalen (11 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Regeringsgezinden (9 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Ultraconservatieven (6 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberaal-Katholieken (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]