Samenstelling Tweede Kamer 1888-1891

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Samenstelling Tweede Kamer 1888-1891 bevat een lijst met de samenstelling van de Nederlandse Tweede Kamer der Staten-Generaal in de zittingsperiode na de Tweede Kamerverkiezingen van 6 maart 1888.

Bij deze verkiezingen werd de Tweede Kamer voor het eerst gekozen voor een met de Grondwetsherziening van 1887 gewijzigd aantal leden van 100. De zittingsperiode ging in op 1 mei 1888 en eindigde op 14 september 1891.

Nederland was verdeeld in 84 kiesdistricten, waarin 100 Tweede Kamerleden werden verkozen.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde.

Wijzigingen in de samenstelling gedurende de zittingsperiode staan onderaan vermeld.

Gekozen bij de verkiezingen van 6 en 20 maart 1888[bewerken | brontekst bewerken]

Liberale Unie (45 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (27 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Bahlmannianen (19 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Schaepmannianen (7 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

SDB (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 27 kiesdistricten was een tweede verkiezingsronde benodigd vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd in de meeste kiesdistricten op 20 maart 1888 gehouden.[4]
  • Titus van Asch van Wijck (Antirevolutionairen) werd gekozen in twee kiesdistricten, Amersfoort en Kampen. Hij opteerde voor Kampen, als gevolg waarvan op 27 maart 1888 in Amersfoort een naverkiezing werd gehouden waarbij Æneas Mackay gekozen werd.
  • Walle Melis Oppedijk (Antirevolutionairen) werd gekozen in twee kiesdistricten, Harlingen en Sneek. Hij opteerde voor Harlingen, als gevolg waarvan op 28 maart 1888 in Sneek een naverkiezing werd gehouden waarbij Willem Gerard Brantsen van de Zijp gekozen werd.
  • Alexander van Dedem (Antirevolutionairen) werd gekozen in twee kiesdistricten, Ommen en Zwolle. Hij opteerde voor Zwolle, als gevolg waarvan op 4 april 1888 in Ommen een naverkiezing werd gehouden waarbij Jan van Alphen gekozen werd.
  • Ulrich Herman Huber (Antirevolutionairen) werd gekozen in twee kiesdistricten, Dokkum en Steenwijk. Hij opteerde voor Dokkum, als gevolg waarvan op 10 april 1888 in Steenwijk een naverkiezing werd gehouden waarbij Gerard Jacob Theodoor Beelaerts van Blokland gekozen werd.
  • Herman Schaepman (Schaepmannianen) werd gekozen in het kiesdistrict Breda (waar hij de enige kandidaat was); hij behaalde in het kiesdistrict Wijk bij Duurstede niet de absolute meerderheid. Op 20 maart 1888 werd hij in de tweede verkiezingsronde ook in Wijk bij Duurstede gekozen, waarna hij opteerde voor dit kiesdistrict. Op 10 april 1888 werd in Breda een naverkiezing gehouden waarbij Louis Michiels van Verduynen (Bahlmannianen) gekozen werd.
  • Frederic Joseph Maria Anton Reekers (Schaepmannianen) werd gekozen in het kiesdistrict Druten; hij behaalde in het kiesdistrict Haarlemmermeer niet de absolute meerderheid. Op 20 maart 1888 werd hij in de tweede verkiezingsronde ook in Haarlemmermeer gekozen, waarna hij opteerde voor dit kiesdistrict. Op 10 april 1888 werd in Druten een naverkiezing gehouden waarbij Jacobus Antonius Nicolaas Travaglino (Bahlmannianen) gekozen werd.
  • Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius (Antirevolutionairen) werd gekozen in het kiesdistrict Ede. Hij nam zijn benoeming niet aan vanwege zijn toetreding tot het kabinet-Mackay op 21 april 1888. Bij een naverkiezing op 15 mei 1888 werd Constant Maurits Ernst van Löben Sels gekozen. Hij werd op 10 juli 1888 geïnstalleerd.
  • Karel Antonie Godin de Beaufort (Antirevolutionairen) werd gekozen in het kiesdistrict Gouda. Hij nam zijn benoeming niet aan vanwege zijn toetreding tot het kabinet-Mackay op 21 april 1888. Bij een naverkiezing op 15 mei 1888 werd Otto Jacob Eifelanus van Wassenaer van Catwijck gekozen. Hij werd op 10 juli 1888 geïnstalleerd.
  • Gustave Louis Marie Hubert Ruijs van Beerenbroek (Bahlmannianen) werd gekozen in het kiesdistrict Maastricht. Hij nam zijn benoeming niet aan vanwege zijn toetreding tot het kabinet-Mackay op 21 april 1888. Bij een naverkiezing op 15 mei 1888 werd Jan Hubert Joseph Schreinemacher gekozen. Hij werd op 10 juli 1888 geïnstalleerd.
  • Æneas Mackay (Antirevolutionairen) werd gekozen in het kiesdistrict Amersfoort. Hij nam zijn benoeming niet aan vanwege zijn toetreding tot het kabinet-Mackay op 21 april 1888. Bij een naverkiezing op 16 mei 1888 werd Jan Elias Nicolaas Schimmelpenninck van der Oye gekozen. Hij werd op 10 juli 1888 geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1888[bewerken | brontekst bewerken]

1889[bewerken | brontekst bewerken]

1890[bewerken | brontekst bewerken]

  • 19 februari: Alexander de Savornin Lohman (Antirevolutionairen) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Mackay. Zijn opvolger als voorzitter van de antirevolutionaire Kamerclub werd Alexander van Dedem. Bij een tussentijdse verkiezing op 18 maart in het kiesdistrict Goes werd Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius gekozen. Hij werd op 26 maart geïnstalleerd.
  • 26 maart: Jan Christiaan Fabius (Antirevolutionairen) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming als inspecteur van het lager onderwijs. Bij een tussentijdse verkiezing op 22 april in het kiesdistrict Delft werd Henri Adolphe van de Velde gekozen. Hij werd op 29 april geïnstalleerd.
  • 26 mei: Harm Smeenge (Liberale Unie) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming als kantonrechter te Hoogeveen. Bij een tussentijdse verkiezing op 24 juni in het kiesdistrict Meppel werd hij herkozen. Hij werd op 26 juni geïnstalleerd.
  • 5 juli: Willem Rooseboom (Liberale Unie) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn bevordering tot luitenant-kolonel. Bij een tussentijdse verkiezing op 29 juli in het kiesdistrict Arnhem werd hij herkozen. Hij werd op 16 september geïnstalleerd.
  • 6 juli: August Lodewijk Willem Seyffardt (Liberale Unie) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn bevordering tot luitenant-kolonel. Bij een tussentijdse verkiezing op 29 juli in het kiesdistrict Utrecht werd hij herkozen. Hij werd op 16 september geïnstalleerd.
  • 4 oktober: Dirk Visser (Liberale Unie) overlijdt. Bij een tussentijdse verkiezing op 28 oktober in het kiesdistrict Enkhuizen werd Jan Zijp Kzn. gekozen. Hij werd op 11 november geïnstalleerd.

1891[bewerken | brontekst bewerken]

  • 17 januari: Eppo Cremers (Liberale Unie) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 februari in het kiesdistrict Zuidhorn werd Geuchien Zijlma gekozen. Hij werd op 3 maart geïnstalleerd.
  • 22 januari: Herman Cornelis Verniers van der Loeff (Vrije Liberalen) overlijdt. Bij een tussentijdse verkiezing op 17 februari in het kiesdistrict Rotterdam werd Abraham van Karnebeek gekozen. Hij werd op 3 maart geïnstalleerd.
  • 4 maart: Felix Walter (Bahlmannianen) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming als kantonrechter. Bij een tussentijdse verkiezing op 31 maart in het kiesdistrict Hontenisse werd hij herkozen. Hij werd op 14 april geïnstalleerd.
  • 9 april: Ernest d'Olne (Bahlmannianen) overlijdt. Bij een tussentijdse verkiezing op 5 mei in het kiesdistrict Roermond werd George Diepen gekozen. Hij werd op 12 mei geïnstalleerd.
  • 12 mei: Titus van Asch van Wijck (Antirevolutionairen) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming als gouverneur van Suriname. Gezien de korte resterende duur van de zittingsperiode van de Tweede Kamer tot de verkiezingen van 9 juni 1891 werd er in het kiesdistrict Kampen niet meer in de vacature voorzien.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]