Tweede Kamerverkiezingen 1888

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tweede Kamerverkiezingen 1888
Datum 6 maart 1888
Land Vlag van Nederland Nederland
Te verdelen zetels 100
Nieuwe minister-president Æneas Mackay
Begin regeerperiode kabinet-Mackay
Opvolging verkiezingen
1887     1891
Portaal  Portaalicoon   Politiek

De Tweede Kamerverkiezingen 1888 waren Nederlandse verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij vonden plaats op 6 maart 1888.

De verkiezingen werden gehouden als gevolg van de ontbinding van de Tweede Kamer. In 1887 waren er verkiezingen geweest voor beide Kamers van de Staten-Generaal in verband met het aannemen van een wijziging van de Grondwet. Bij die wijziging was ook de regeling van het kiesrecht betrokken en was het aantal leden van de Tweede Kamer op 100 gebracht. Nadat de grondwetswijziging in 1887 in tweede lezing in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer was aangenomen, werd de Tweede Kamer wederom ontbonden om verkiezingen volgens de nieuwe regeling mogelijk te maken.

Uitslag[bewerken | brontekst bewerken]

partij % zetels
Liberalen 40,7 45[1]
Anti-revolutionairen 31,4 27
Katholieken 20,7 26[2]
Radicalen 2,0 -
Sociaal-Democratische Bond 0,9 1
Conservatieven - 1
Totaal - 100

Gekozen leden[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Samenstelling Tweede Kamer 1888-1891 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bij deze verkiezingen werd voor het eerst een socialist in de Tweede Kamer gekozen. Na een herstemming in het Friese district Schoterland werd Ferdinand Domela Nieuwenhuis verkozen voor de Sociaal-Democratische Bond. Ook werd de voormalig griffier van de Tweede Kamer, J.D. Veegens, verkozen. Hij ging als 'radicaal' liberaal afgevaardigde de Kamer in.

Ook nieuw was dat voor het eerst de 'rechtse' partijen, daarmee werd destijds bedoeld de confessionele partijen, een meerderheid behaalden.

Formatie[bewerken | brontekst bewerken]

Gezien de rechtse meerderheid lag het voor de hand dat er een kabinet met een christelijke signatuur zou komen. Aan de rechterzijde waren de anti-revolutionairen de grootste groep. Hun voorman Abraham Kuyper had zich echter niet verkiesbaar gesteld. Dat gaf de Koning de gelegenheid een andere AR-man, Æneas Mackay, tot formateur te benoemen. Het kabinet dat gevormd werd bestond uit 4 anti-revolutionairen, 2 katholieken en 2 conservatieven.