Sheddak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Principe van een sheddak
Negen sheddaken (Tonnemafabriek).

Een sheddak, zaagdak of zaagtanddak is een dakvorm die vooral bij uitgestrekte fabriekshallen werd toegepast. Bouwkundig gezien betreft het een reeks evenwijdige zadeldaken met ongelijke schilden. De nokken zijn oost-westgericht. De schilden zijn voorzien van vele ramen.

Het op het noorden gerichte schild is veel steiler dan het op het zuiden gerichte schild. Het gevolg van dit alles is dat de gehele hal gelijkmatig verlicht wordt.

Tegenwoordig worden fabriekshallen ook overdag met tl-buizen verlicht. Dit heeft het gebruik van sheddaken sterk doen afnemen. Niettemin is het sheddak, samen met de schoorsteen, emblematisch geworden voor fabrieken en industrie.

De laatste tijd is er opnieuw belangstelling voor het sheddak, zowel vanuit ecologische redenen (al dan niet in combinatie met zonnepanelen) alsook vanwege het mentale aspect van daglicht op werknemers. Zo zal dit bijvoorbeeld toegepast worden in de toekomstige stelplaats voor de metro te Haren.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Zaagdaken in de lakenhal achter het stadhuis van Brussel, ca. 1650

De oudst gekende afbeelding van een sheddak dateert uit het begin van de 17e eeuw. Ze toont de toenmalige lakenhal van Leuven in haar oorspronkelijke staat uit de 14e eeuw, waarbij de constructie overdekt is met een zadel- en zaagdak. Gedurende de verbouwing van 1680-1687 met als doel het gebouw tot een volwaardige universiteitshal om te vormen, verloor het complex hierbij haar originele dakstructuur door de toevoeging van een tweede bouwlaag.

Lakenhal van Leuven met zaagdak, Gravure van Johannes Baptist Gramaye, ca. 1610

Een gelijkaardige dakconstructie was te vinden op de Lakenhal aan de achterzijde van het Brusselse stadhuis, die gelijkmatig verlicht werd door zestien glaswanden in het zaagdak.[1] Het uit 1353-1359 daterende gebouw werd vernield in het bombardement op Brussel (1695).

De sheddaken werden voor het eerst op grote schaal toegepast bij mechanische weverijen in Engeland. De mechanisch weefgetouwen werden daar in evenwijdige hallen van één bouwlaag opgesteld. Een dergelijk fabriekstype noemde men een shed (letterlijk: schuur of loods). Dankzij de sheddaken konden deze uitgestrekte complexen worden verlicht. In Twente werd de eerste shed in 1859 gebouwd. Voordien bestonden fabrieken vooral uit massieve blokvormige gebouwen met meerdere bouwlagen. Hierin waren vooral spinnerijen gevestigd.

Zie de categorie Sawtooth roofs van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.