Spiercel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De spiercel of myocyt is de cel, die beweging mogelijk maakt. Dit gebeurt door samentrekking. Myoblasten zijn cellen die aan de randen van spiervezels zitten en te hulp schieten als er een stukje spier beschadigd is. Ze delen zich en zorgen er zo voor dat de spier weer herstelt.

Spieren kunnen geen duwkracht uitoefenen, alleen trekkracht. Om toch actief twee kanten op te kunnen bewegen worden op verschillende plaatsen in het lichaam twee spieren tegen elkaar in gezet. Zo zit er in de arm de biceps en triceps zodat door samentrekking van de een strekking en door samentrekking van de ander een buiging van de arm kan worden veroorzaakt. Dat komt doordat als de triceps worden samengetrokken ze de biceps dwingen weer uit elkaar te gaan.

De samentrekking van spieren is mogelijk door twee eiwitten: actine en myosine. Deze twee eiwitten vormen vezels die in elkaar kunnen schuiven. De binding tussen actine en myosine is bijzonder sterk en wordt op verschillende manieren in de bio-technologie gebruikt.

Spier1.jpg

In bovenstaand figuur is de interactie tussen actine en myosine schematisch weergegeven. Er is te zien dat er een open horizontale ruimte is tussen de dikke (myosine) en dunne strepen (actine). Daardoor kunnen ze in elkaar schuiven. Deze schuifactie kost energie en wordt door ATP en GTP gevoed.

Een spierbundel bestaat uit spiervezels. Elke spiervezel bestaat uit een enkele spiercel, die meerdere kernen heeft.

In de organen zitten gladde spiercellen. Deze kunnen niet bewust in beweging worden gezet door de hersenen, maar bewegen automatisch. Ze worden daarom ook wel onwillekeurige spieren genoemd. Gladde spieren kunnen niet vermoeid raken.

Willekeurige spieren worden vanwege hun uiterlijk ook wel dwarsgestreepte spieren genoemd. Deze spieren zijn veel sterker dan gladde spieren, maar kunnen vermoeid raken.

De enige uitzondering op de regel is de hartspier: dit is een onwillekeurige spier, maar wel dwarsgestreept.