Synoptische vraagstuk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het synoptische vraagstuk is de vraag naar de relatie tussen de synoptische evangeliën van Marcus, Lucas en Matteüs. Deze drie evangeliën hebben een groot aantal passages gemeen en vaak zijn die passages zelfs woordelijk hetzelfde. Tegelijk zijn er ook een aantal verschillen tussen deze drie evangeliën. Het synoptische vraagstuk is de vraag welke relatie er tussen deze drie teksten bestaat en hoe zowel de overeenkomsten als de verschillen in deze teksten verklaard kunnen worden.

Deze kwestie wordt het synoptisch vraagstuk genoemd omdat de drie evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) de synoptische evangeliën worden genoemd. Deze aanduiding is afkomstig van de aan het eind van de 18e eeuw ontstane gewoonte om de drie teksten in kolommen naast elkaar te zetten zodat ze makkelijk met elkaar vergeleken konden worden (het Griekse woord synopsis betekent samen (ge)zien).

Van de 662 verzen in het evangelie volgens Marcus zijn er 406 ook terug te vinden in zowel het evangelie volgens Matteüs als in het evangelie volgens Lucas. 145 verzen uit Marcus zijn enkel terug te vinden in Matteüs, en 60 verzen enkel in Lucas. De overige 51 verzen van Marcus zijn alleen in Marcus te vinden. Daarnaast zijn sommige verhalen die in alle drie de evangeliën voorkomen precies hetzelfde geformuleerd, terwijl andere verhalen die in alle drie de teksten voorkomen juist anders geformuleerd zijn. Ook gebeurt het soms dat twee van de evangeliën dezelfde formulering gebruiken terwijl het derde een andere formulering gebruikt.

Een voorbeeld

Als voorbeeld zetten we in de onderstaande tabel de drie beschrijvingen naast elkaar van Jezus' aankomst aan de overkant van het Meer van Genezareth, waar hij een man ontmoet die bezeten is.

Matteüs 8:28 Marcus 5:1-3 Lucas 8:26-27
Nadat hij aan de overkant in het land der Gadarenen was gekomen, En zij kwamen aan de overkant van de zee in het land der Gerasenen. En zij voeren naar het land der Gerasenen
dat tegenover Galilea ligt.
kwamen hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, En toen Jezus uit het schip ging, kwam hem uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest, Toen hij aan land gegaan was, kwam hem een man tegemoet, die door boze geesten bezeten was
zeer gevaarlijke, zodat niemand langs die weg kon voortgaan.
en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis,
die verblijf hield in de graven, maar in de graven.

Het is duidelijk dat deze passages met elkaar verwant zijn, hoewel ze ook verschillen. Zo verwisselt Matteüs Gerasa en Gadara, en meldt Lucas behulpzaam dat de plaats waar Jezus heen voer tegenover Galilea ligt, een stukje informatie dat de andere twee niet hebben. Ook de aantallen variëren: bij Matteüs zijn er twee bezetenen, bij Marcus en Lucas is het er één, terwijl bij laatstgenoemde het aantal geesten kleiner is dan bij Marcus.

Daarnaast kan er, op detailniveau, op worden gewezen dat er eigenlijk alleen maar kleine verschillen zijn, die vaak eenvoudig zijn te verklaren vanuit de principes waarmee de auteurs hun verhaal vertellen. In de passage hierboven is bijvoorbeeld te zien dat Matteüs en Lucas allebei moeite hebben met het feit dat één iemand door meerdere geesten kan worden bezeten, en dat op tegengestelde wijze oplosten; ook zien we dat Lucas zijn publiek - vermoedelijk niet levend in Judea - tegemoetkomt met topografische uitleg.

Wetenschappelijke consensus[bewerken]

Er is wetenschappelijke consensus dat de synoptische evangeliën als volgt zijn ontstaan: Jezus leefde in Galilea en in Judea, een streek met een sterke orale traditie. Dat wil zeggen dat ooggetuigen van zijn leven nieuwe volgelingen mondeling vertelden over zijn leven en daden. Aangezien de vroegste christenen een spoedige wederkomst verwachtten, voelden zij geen behoefte een biografie van hun leider te schrijven. Zij bleven eenvoudig in Jeruzalem, wachtten op de wederkomst van Jezus en probeerden in de tussenliggende periode anderen ervan te overtuigen dat Jezus de Messias was door verhalen te vertellen over wat hij had gezegd en gedaan. Positief gesteld was dit een gebruikelijke manier om gegevens over Jezus' leven te bewaren. Deze vorm was echter vooral geschikt om Jezus' volgelingen te helpen bij hun verschillende handelingen. Negatief gesteld werden Jezus' woorden en daden uit hun context gehaald (Jezus' feitelijke leven en bediening) en geplaatst in een heel andere context (de prediking en leer van de discipelen).

De jaren verstreken en Jezus kwam niet terug. Op enig moment werden passages die regelmatig van pas kwamen bij het evangelisatiewerk opgeschreven. Sommige daarvan werden op onderwerp samengevoegd. Deze (nog altijd korte) passages worden perikopen genoemd. Dit zijn de bouwstenen van de synoptische evangeliën. Met de groei en verspreiding van het vroege christendom groeiden ook deze perikopen en begonnen deze onderling te verschillen. Op een verder punt in de tijd werden deze perikopen samengevoegd tot proto-evangeliën. Deze term duidt werken aan die redelijk afgeronde verhalen inzake Jezus' leven beschreven, een serie perikopen, maar nog niet het volledige verhaal.

Uiteindelijk werd het eerste evangelie geschreven. De meeste onderzoekers denken dat dit Marcus was, kort na 60. Tussen 70 en 90 werden ook Matteüs en Lucas geschreven.[1] Een belangrijke theorie is dat deze evangeliën zich (ook) baseerden op een gezamenlijke bron, de zogenaamde bron Q.

Het is van belang te benadrukken dat het niet bekend is hoe dit exact is gegaan. Dit proces wordt herleid vanuit het eindproduct. Vaststaat dat de uiteindelijke auteurs perikopen verplaatsten, want in het ene evangelie verschijnen ze in de ene en in het andere evangelie in een andere context. Dit is te herleiden dat dit in de voorgaande tientallen jaren gebeurde. Het staat niet vast dat er fysiek perikopen bestonden, dit is te herleiden aan de hand van het feit dat het materiaal soms chronologisch, soms op onderwerp in de evangeliën verschijnt.

Het beschikbare materiaal toont aan dat de evangeliën anoniem werden geschreven en zonder toeschrijving aan een auteur bleven tot het midden van de 2e eeuw.[2]

Eerdere antwoorden op het vraagstuk[bewerken]

De vraag naar de relatie tussen de drie synoptische evangeliën wordt al sinds het vroege christendom gesteld. De kerkvader Augustinus meende bijvoorbeeld te weten dat het Evangelie volgens Marcus een uittreksel was van het Evangelie volgens Matteüs (waarom Marcus in alle latere Bijbeluitgaven na Matteüs wordt geplaatst). Daarmee wordt echter de relatie tot het Evangelie volgens Lucas niet verklaard.

Gotthold Ephraim Lessing suggereerde in de 18e eeuw dat de verschillen en overeenkomsten tussen de drie evangeliën verklaard kunnen worden door ervan uit te gaan dat het drie vertalingen van een gemeenschappelijke bron zijn, een soort oer-evangelie, dat in het Aramees geschreven zou zijn.

In 1776 liet Johann Jakob Griesbach de drie evangeliën in kolommen naast elkaar drukken. Sindsdien worden ze de synoptische evangeliën genoemd (naar het Griekse woord synopsis dat letterlijk "samen (ge)zien" betekent), en de auteurs ervan worden sindsdien ook wel de synoptici genoemd.

In 1789 stelde dezelfde Griesbach dat het evangelie van Matteüs het oudste was en dat dat van Lucas op Matteüs gebaseerd was. Het evangelie van Marcus was vervolgens op dat van Matteüs en Lucas gebaseerd; dit is de zogenaamde Griesbach-hypothese die in de 20e eeuw in gewijzigde vorm als de twee-evangeliehypothese weer enige aanhang vindt.

In de eerste helft van de 19e eeuw wordt door verschillende onderzoekers de prioriteit van Marcus geïntroduceerd en uitgewerkt. De 'prioriteit van Marcus' is de hypothese dat het Marcus-evangelie het eerste was en dat dat van Matteüs en Lucas gedeeltelijk op dat van Marcus gebaseerd zijn. Men combineerde deze aanname al gauw met de aanname van het bestaan van een tweede bron die door zowel Matteüs als Lucas gebruikt is. Deze bron zou uit uitspraken van Jezus bestaan en werd toen de Logia genoemd (later werd dat Bron Q). De combinatie van de prioriteit van Marcus en een tweede bron wordt de twee-bronnenhypothese genoemd.

In het begin van de twintigste eeuw formuleert Burnett Hillman Streeter de vier-bronnenhypothese: Matteüs en Lucas hebben beiden gebruikgemaakt van Marcus en een bron Q, en daarnaast hebben zowel Matteüs als Lucas uniek materiaal opgenomen dat waarschijnlijk afkomstig is van andere bronnen, respectievelijk M en L genoemd.

De Vijf Evangeliën en de Vijfvoudige Bediening van de Messias[bewerken]

De Netzer en Tzemach - de SPRUIT

Vijf maal in de geschriften van de Hebreeuwse Profeten wordt naar de Messias gerefereerd als de Tzemach. De meeste vertalers hebben het woord tzemach vertaald als Spruit. Zowel zij als de Joodse sagen herkennen de referentie naar de Messias telkens waar de Profeten het woord tzemach gebruikten. In elk van de vijf gevallen waar tzemach is gebruikt beschrijft het een missie of profetische rol die de Messias moet vervullen. Elk van deze vijf gevallen detailleert een bepaalde kwaliteit of perspectief in het leven en de bediening van de Messias. De vervulling van elk van deze vijf kenmerken is gedetailleerd in de Evangeliën, zoals het was voorzegd door de profeten.

De eerste vier Evangeliën detailleren de vervulling van elk facet van de Messias zijn bediening als de Lijdende Knecht, een rode draad die loopt doorheen de Torah, de Profeten, en de andere Geschriften (Lucas 24:46, Hand. 26:23). Dit is de profetische voorafschaduwing van de Messias die ingebed ligt in de Voorjaarsfeesten van de HEER: een mannelijk lam gegeven als vervangend offer voor Abraham’s zoon Isaak, net zoals het Pascha lam was gegeven ter vervanging van de eerstgeborenen van Israël.

Het vijfde Evangelie, De Openbaring van Jezus Christus (opgetekend door Johannes), detailleert de toekomstige vervulling van de Najaarsfeesten van de HEER en verkondigt de Messias in zijn rol als Rechtvaardige Rechter en Heersende Koning. Het boek Openbaring is het vijfde Evangelie.

Eén van de meest intense profetieën die Jezus vervulde, die getuigen van zijn afstamming van David en zijn Koninklijke rol, vindt men in het Evangelie van Matteüs, welke de Spruit verkondigt als de Rechtvaardige Koning.

Matteüs 2:23 En hij (Jezus) kwam en vestigde zich in een stad, genaamd Nazaret, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken was, dat Hij Nazireeër zou heten.

Hoe hard men ook probeert, niemand zal ooit een referentie vinden in de Profeten waar de Messias Nazireeër wordt genoemd. Het wordt dikwijls verondersteld dat dit zou refereren naar de Messias die de “nazireeërgelofte” aflegt (Numeri 6:1-21), dezelfde gelofte waaronder Simson was geboren (Richteren 13:5-7). Dit is niet zo! Jezus heeft duidelijk en toegeeflijk zich meermaals niet aan de schriftuurlijke voorwaarden van de nazireeërgelofte gehouden (Matt 11:19). En verder is het zo dat nergens in de geschriften van de profeten wordt aangegeven dat de Messias een Nazireeër zou worden genoemd, of zich zou verbinden aan de nazireeërgelofte. En toch laat de Schrift ons niet in het ongewisse, want meerdere profeten verklaarden dat de Messias een tzemach zou zijn, en Jesaja profeteerde dat de Tzemach een bepaald soort spruit zou zijn.

Jesaja 11:1 En er zal een rijsje (khoter - een levende scheut) voortkomen uit de tronk (geza - afgekapte boomstronk) van Isaï en een Spruit (netzer - een specifieke soort spruit) zal groeien uit zijn wortelen (shorashim)...

Jesaja voegde verbazingwekkende details toe aan het beeld van de Messias als de Tzemach - de Spruit. Hij profeteerde dat de Tzemach een speciale soort spruit zou zijn - een netzer. De wetenschap van tuinbouw onderscheidt verschillende soorten van spruiten of scheuten van een boom, welke zijn vernoemd met verschillende Latijnse en Nederlandse termen. Hetzelfde geldt in de Hebreeuwse taal. Het woord netzer duidt op een scheut van een olijfboom die groeit uit de oorspronkelijke wortelvertakkingen maar ontspringt op een latere tijd en op een afstand van de stronk. De boom kan al eerder omgekapt geweest zijn, omwille van het niet meer voortbrengen van vruchten. De spruit die opschiet uit de wortels van de stam van de familie van Isaï (de vader van Koning David) zal ontspruiten als een netzer.

Een netzer heeft absoluut niets te maken met een “nazireeërgelofte”. De Hebreeuwse woorden nazir en netzer zijn niet verwant, ze lijken enkel hetzelfde in het Nederlands. De profeten vertellen ons dat de Messias, de zoon van David, een Tzemach (een Spruit) zal zijn uit de stam van David, maar Jesaja is de profeet die iets heel specifiek vertelt over die tzemach - hij zal een netzer zijn.

Het dorp Nazaret in het noorden van Israël heeft zijn naam ontleent aan het stamwoord netzer. Nakomelingen van Koning David hebben dit dorp gevestigd. Maria, de dochter van Jozef (zoon van Jakob), uit de bloedlijn van Koning David zijn zoon Salomo, en Maria’s man Jozef (zoon van Eli), uit de bloedlijn van een andere zoon van Koning David, zijnde Natan, groeiden allebei op in Nazareth onder dichte en verre verwanten en enkele Levieten. De inwoners van Nazaret hebben zich daar hoogst waarschijnlijk ten tijde van de Griekse bezetting van Israël gevestigd toen vele Judeeërs vluchtten naar Galilea om te ontsnappen aan de vervolging gedurende het schrikbewind van Antiochus Epiphanes (gedocumenteerd in Makkabeeën I en II, 1611 KJV). De inwoners van Nazaret kenden hun familiegeschiedenis en noemden hun dorp als herkenning van het feit dat zij een “scheut” waren uit de stamboom van Isaï - ontsprongen op een latere tijd en op een andere plaats - een dorp van netzerim. Nu is het klaar en duidelijk waarom ze terug reisden naar de thuis van hun voorouders uit Bethlehem (Beit Lechem) om legaal het decreet te ondertekenen om Octavius Augustus zich “Vader van het Romeinse Rijk” te kunnen laten noemen in het vijfentwintigste jaar van zijn regering als Caesar.

Geen enkele evangelist vertelt het hele verhaal van het leven en de bediening van de Messias. Geen van hen was dat ook van plan. Johannes geeft zelf toe dat moest alles opgeschreven geweest zijn, dat de boekrol te groot zou zijn voor de wereld. Maar wel zijn die dingen opgeschreven waardoor we zeker kunnen weten dat Jezus uit Nazaret, De Profeet is van wie Mozes sprak, en de Messias van wie de profeten hebben voorzegd. Het is enkel door de Profeten en de Evangeliën samen te voegen dat we Jezus zien als de Tzemach, de Netzer.

De Koning, de Knecht, de Mensenzoon, de enig verwekte Zoon van God, en de Almachtige Rechter.

MATTEUS - De Tzemach - De Koning

Het Evangelie van Matteüs introduceert de Messias als de Koning des Hemels terwijl hij de regels uiteenzet van het Koninkrijk waarover hij eeuwig zal regeren. Matteüs’ verslag begint bij het vastleggen van Jezus’ afstamming van Koning David via zijn enige aardse ouder, Maria, de dochter van Jozef (zoon van Jakob) - allemaal rechtstreekse afstammelingen van David via Salomo. Het verslag van de Babylonische astronomen die een koninklijke schat komen brengen aan de jonge koning legt de basis.

Jeremia profeteerde dat de Messias, de Tzemach, een Koning zou zijn uit het geslacht van David.

Jeremia 23:5 ...Ik zal tot David een rechtvaardige Spruit [Tzemach] verwekken; een koning zal regeren met voorspoed, en hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.

Het Evangelie van Matteüs is eerder verhalend geschreven dan chronologisch.

MARCUS - De Tzemach - De Knecht

Het Evangelie van Marcus introduceert de Messias als de knecht. Geen afstamming. Geen fanfare. Hij doet enkel de missie waarvoor hij gezonden was. Onmiddellijk, rechtuit, en terstond zijn de woorden die Jezus actie's in Marcus typeren. Hij laat er geen gras over groeien. Hij heeft precies zeventig weken om zijn missie te volbrengen, of alles is verloren.

Zacharia profeteerde dat de Messias, de Tzemach, een knecht van de Allerhoogste zou zijn.

Zacharia 3:8 ...voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht, de Spruit [Tzemach], doen komen.

Het Evangelie van Marcus is in chronologische volgorde geschreven.

LUCAS - De Tzemach - De mensenzoon

Het Evangelie van Lucas introduceert de Messias als ons voorbeeld - de mensenzoon, die demonstreert hoe men moet leven volgens de regels van het Koninkrijk. Lucas’ verslag begint bij het benoemen dat Zacharias en Elisabeth allebei rechtvaardig voor God waren in hun volgzaamheid van de geboden in de Torah, inclusief de bijkomende richtlijnen van het priesterschap. Jezus’ zogenaamde afstamming (Lucas 3:23) via zijn stiefvader Jozef (zoon van Eli), een rechtstreekse afstammeling van David via Natan, duidt de schaduw van onechtheid waaronder de Messias leefde. Er werd verondersteld dat hij de zoon van Jozef was, buitenechtelijk verwekt. Hoewel hij verscheen als slechts een man onder de mannen, “zal hij de Tempel van de Heer bouwen “.

Zacharia profeteerde dat de Messias, de Tzemach, niet enkel een man, maar De Man zou zijn.

Zacharia 6:12 ...zie, De Man, wiens naam is Spruit [Tzemach]. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de Tempel van de Heer bouwen.

Het Evangelie van Lucas is punctueel en in chronologie geschreven.

JOHANNES - De Tzemach - De Zoon van God

Het Evangelie van Johannes introduceert de Messias als de incarnatie van het eeuwige Woord door wie en voor wie alles in dit fysieke universum was geschapen. Het Woord was vleesgeworden en “tabernakelde” onder ons als De Profeet van wie Mozes heeft geprofeteerd. Johannes introduceert Jezus met de getuigenis van Johannes (de doper), de zoon van Zacharias, die aan een groep van Levieten en priesters verklaarde dat toen hij Jezus doopte, hij het messiaans teken zag dat hem geopenbaard werd door de Geest. De dag na deze getuigenis zag hij Jezus, die terugkeerde van zijn veertig dagen durende wilderniservaring. Johannes wees hem niet aan als de Zoon van God, zoals hij had gehoord uit de hemel, maar als het Lam van God - het vlekkeloos offer die de zonden van de wereld ging verzoenen.

Jesaja profeteerde dat de Messias, de Tzemach, diegene zou zijn die het bloed ging zuiveren en de vuilheid van zijn volk zou afwassen met het bloed van een onschuldig lam - de zondeloze Zoon van de Allerhoogste.

Jesaja 4:2 In die dagen zal de Spruit [Tzemach] van de Heer tot sieraad en heerlijkheid zijn…

Het Evangelie van Johannes is in precieze chronologie geschreven, en detailleert het op gaan naar Jeruzalem van de Messias naar elk van de verplichte pelgrimsfeesten.

Matteüs, Marcus en Lucas hebben voornamelijk de gebeurtenissen tussen de Feesten van de Heer vastgelegd, terwijl Johannes de Messias toont die “op gaat” naar elk Feest in Jeruzalem.

HANDELINGEN - De missie volbracht

De zeventig weken bediening van de Messias is niet vervuld voordat Jezus zijn volgelingen “doopt” met de Heilige Geest op het Feest van Shavuot (Pinksteren). In het boek Handelingen toont Lucas ons de strijd op leven en dood die de volgelingen van Jezus hadden toen ze leerden om te wandelen in de Geest, op de harde manier. Nadat ze klaar en duidelijk de richtlijnen hadden gekregen om te wachten in Jeruzalem op “de belofte van de Vader”, werden de apostelen ongeduldig gedurende de tien dagen voorafgaand op het Feest van Shavuot, en beslisten om een opvolger te kiezen voor Judas. Biddend, doch zonder geleid te worden vanuit de hemel, beslisten ze om te stemmen, en kozen een vervanger van wie we achteraf nooit meer iets gehoord hebben. In het boek Handelingen zien we demonische bezetenheid, ongehoorzaamheid, misleiding, en dood - maar we zijn ook getuige van mirakels, verlossing, en overwinning. Dit is hoe het leven er uit ziet met de Geest van de verrezen Messias aanwezig in de gelovigen.

DE OPENBARING VAN JEZUS DE MESSIAS - De Tzemach - De komende Rechter

Het Evangelie van de Openbaring is geschreven in precieze chronologische volgorde met verschillende ingesloten stukken die oorzaken en gevolgen illustreren. De chronologie van Openbaring begint met zeven brieven aan de zeven Messiaanse gemeenschappen in Klein-Azië. Daarna detailleert Johannes de gebeurtenissen die plaats vinden als Jezus de zeven zegels afscheurt van een boekrol van eeuwigdurend belang - en specifieke gebeurtenissen spelen zich af op aarde bij het afscheuren van elk zegel. Wanneer het zevende zegel wordt afgescheurd, worden zeven engelen geïntroduceerd die op zeven bazuinen blazen. Zes engelen blazen hun bazuinen na elkaar en dan volgen zeven donders. Wanneer de zeven donders zijn afgelopen, luidt uiteindelijk de zevende (en laatste) bazuin (op Jom Teruah - de Dag der Bazuinen), en worden de heiligen op miraculeuze wijze “gered van de komende gramschap” en vergaderd op de zee van vuur en glas. Daarna gieten zeven engelen de inhoud uit van zeven schalen vol met de rokende gramschap van de Almachtige op de achtergebleven inwoners van de aarde. Wanneer de gramschap is voleindigd (op Jom Kippoer), maakt de bruid zich op voor het Bruiloftsmaal van het Lam. Na het zeven dagen durende bruiloftsfeest (Sukkot - Loofhuttenfeest), keert Jezus terug naar de aarde (op Shemini Atzeret) om te regeren op aarde met een ijzeren staf.

Jeremia profeteerde dat de Messias, De Tzemach, de Rechter zou zijn uit het geslacht van David en dat hij naar recht en gerechtigheid zal handelen over de gehele wereld.

Jeremia 33:15 Ik zal aan David een Spruit [Tzemach] van de gerechtigheid doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid over heel de aarde zal handelen.

De Evangeliën sluiten af met de Openbaring van Jezus de Messias, welke onthult hoe de Messias de Najaarsfeesten van de Heer zal vervullen.

De prioriteit van Marcus[bewerken]

Tegenwoordig gaat men er over het algemeen van uit dat van de drie synoptische evangeliën dat van Marcus het oudste is en dat die van Matteüs en Lucas op dat van Marcus gebaseerd zijn. Deze aanname wordt wel de prioriteit van Marcus genoemd.

Argumenten voor de het aannemen van de prioriteit van Marcus zijn onder andere:

  • Er zijn veel passages die in alle drie de teksten woord voor woord hetzelfde zijn, maar er zijn ook passages die woord voor woord hetzelfde zijn in twee van de drie teksten, terwijl de derde tekst dezelfde passage in andere bewoordingen vertelt. Vrijwel overal waar dat laatste het geval is, dus waar twee evangeliën dezelfde bewoording gebruiken terwijl de derde een andere bewoording gebruikt, zijn het Marcus en Matteüs of Marcus en Lucas die dezelfde bewoordingen gebruiken en nooit Matteüs en Lucas.
  • Er zijn een aantal passages die in zowel Matteüs als in Lucas voorkomen, maar die in Marcus ontbreken (als verklaring hiervoor wordt het bestaan van een tweede bron aangenomen, bron Q genoemd). Wat opvalt bij deze passages, is dat de volgorde ervan in Matteüs en Lucas niet overeenkomt. De passages in Matteüs en Lucas die ook in Marcus voorkomen staan daarentegen over het algemeen wel in dezelfde volgorde in Matteüs en Lucas. Dit kan eigenlijk alleen maar verklaard worden door aan te nemen dat Matteüs en Lucas beiden gebruikmaakten van Marcus, terwijl ze daarnaast nog een gemeenschappelijk bron hadden, waaruit ze passages overnamen die ze tussen de passages van Marcus plaatsten, waarbij Matteüs en Lucas die passages elk op andere plekken tussen de van Marcus overgenomen passages plaatsten.
  • Het taalgebruik en de stijl van Marcus is op sommige plekken onelegant of lastig te begrijpen. Vaak zijn de formuleringen waarbij dat het geval is niet overgenomen door Matteüs en Lucas. Als Marcus niet de eerste tekst zou zijn, maar gebaseerd zou zijn op Matteüs of Lucas, dan zou dat betekenen dat Marcus op verschillende plekken eigenaardige, onelegante of lastige taalconstructies heeft toegevoegd bij het overnemen van teksten uit Matteüs of Lucas. Dat is niet erg waarschijnlijk: waarom zou hij dat doen?

Bron Q[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Bron Q voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bron Q is een door protestantse theologen uit Duitsland naar voren gebrachte hypothese waarmee een verklaring wordt gegeven voor een probleem dat met de erkenning van de prioriteit van Marcus niet werd opgelost: hoe is het mogelijk dat Matteüs en Lucas informatie hebben die vrijwel woordelijk overeenkomt (bijvoorbeeld het Onzevader), maar die ze niet hebben ontleend aan Marcus? De oplossing is de aanname dat er een onbekende bron is geweest, die Q wordt genoemd.[3]

Als we ervan uitgaan dat al het materiaal dat zowel bij Matteüs als bij Lucas aanwezig is maar niet bij Marcus, afkomstig is uit bron Q, dan lijkt het erop dat Q een verzameling van uitspraken van Jezus is. Er is echter ook sprake van twee verhalen: het verhaal van de verzoeking van Jezus (Mt 4:1-11; Luc 4:1-13, Marcus vermeldt de gebeurtenis kort in 1:12-13) en het verhaal van de genezing van de knecht van de centurio (Mt. 8:5-10; Luc 7:1-10).

Q lijkt dus een collectie van uitspraken van Jezus te zijn geweest, beginnend met opmerkingen over de komst van het heil, aangekondigd door Johannes de Doper, en eindigend met opmerkingen over de Wederkomst van de Mensenzoon. Lucas zou deze uitspraken in ruwweg de juiste volgorde in zijn evangelie hebben ingevoegd, terwijl Matteüs dichter bij het oorspronkelijke Aramees zou zijn gebleven en de informatie zou hebben herschikt tot toespraken, zoals de Bergrede (Mt 5) en de Rede tegen de Farizeeën (Mt 23). Er bestaan speculatievere theorieën over bijvoorbeeld de gemeenschap die Q zou hebben geschreven en over de datering, maar geen daarvan heeft veel blijvende aanhang gekregen.

Tegen de Q-hypothese werd in de negentiende eeuw door katholieken ingebracht dat het literaire genre 'uitspraken van Jezus' in het vroege christendom niet bestond. Dit op zich hout snijdende argument werd weerlegd toen in 1948 het Evangelie van Thomas werd ontdekt, dat dezelfde structuur heeft als de veronderstelde bron Q. Sindsdien wordt de Q-hypothese algemeen aanvaard.

Sondergut, de vier-bronnenhypothese en relevantie[bewerken]

De combinatie van de 'prioriteit van Marcus' met de Q-hypothese wordt de twee-bronnenhypothese genoemd.

Naast materiaal uit Marcus en Q hebben Matteüs en Lucas ook nog eigen materiaal ('Sondergut' genoemd), dat wil zeggen materiaal dat alleen in Matteüs of alleen Lucas aanwezig is (denk aan de verschillende geslachtslijsten en de verschillende bezoekers in Betlehem: wijzen uit het oosten of herders). In verband met dit 'Sondergut' worden vaak twee extra bronnen aangenomen. Dit leidt tot de vier-bronnenhypothese, waarbij men ervan uitgaat dat er nog een bron M is, waar Matteüs gebruik van heeft gemaakt, en een bron L, waar Lucas gebruik van heeft gemaakt. Of deze bronnen inderdaad bestaan, of bron M (of bron L) eigenlijk uit meerdere bronnen bestaat en of het gaat om schriftelijke of mondelinge bronnen, valt niet met zekerheid te zeggen.

Hoewel het genoemde eigen materiaal, het Sondergut, eigenlijk maar beperkt in omvang is, is het wel significant omdat we daar de persoonlijke belangstelling van de evangelisten het duidelijkst zien. Daarnaast bevat dit materiaal juist een aantal van de meest bekende en interessante verhalen uit de nieuwtestamentische evangeliën.

Dit is ook het belang van het synoptische vraagstuk: dat het ons zicht biedt op de individuele visie van de auteurs van de drie evangeliën. Marcus presenteert het karakter van Jezus van Nazaret als een mysterie: de boze geesten, een Romeinse centurio, de hogepriester - iedereen weet dat hij de Zoon van God is, maar de leerlingen hebben het almaar niet in de gaten. Lucas is te beschouwen als de evangelist van de harmonie; waar conflictstof potentieel aanwezig is, zal hij het verhaal neutraler vertellen. Ook benadrukt hij de historische betrouwbaarheid van zijn verhaal door te verwijzen naar toenmalige gebeurtenissen, zoals de volkstelling van Quirinius. Ook het begin van het optreden van Johannes de Doper en Jezus wordt zeer nauwkeurig gedateerd. Daarnaast is te merken dat hij schrijft voor een geletterd, niet-joods publiek, bijvoorbeeld als hij uitlegt dat de Jordaan een rivier is. Matteüs presenteert Jezus als de nieuwe Mozes, die voor zijn uitleg van de Thora eveneens een berg op gaat; tegelijkertijd suggereert Matteüs dat de joden, door Jezus' leer te verwerpen, het onheil over zich hebben afgeroepen - het beruchte vers 27:25.

Zie ook[bewerken]

  • Documentaire hypothese - de theorie dat de eerste vijf boeken van het Oude Testament minstens vier verschillende schrijvers hadden

Externe link[bewerken]