Tweede beeldenstorm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De neogotische Sint-Jacobuskerk te Uithuizen vóór de tweede beeldenstorm
Dezelfde kerk na de tweede beeldenstorm

De tweede beeldenstorm is een term die gebruikt wordt door critici van de vergaande liturgische en architectonische vernieuwingen zoals deze tijdens en na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) plaatshadden.

Deze groep critici bestaat zowel uit traditionalisten als uit personen die voorstanders zijn van een nauwgezette en gematigde invoering van de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie. Met tweede beeldenstorm worden meestal vernieuwingen bedoeld, die verder gingen dan de concilievaders en de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie hadden voorzien. De term is afgeleid van de eerste beeldenstorm in 1566. De term benadrukt de samenhang tussen de vernieuwingsdrang in de 16e eeuw en de vernieuwingsdrang in de 20e eeuw. Daarmee wordt ook gewezen op het, volgens deze critici, 'protestantse karakter' van de veranderingen in de katholieke geloofsopvattingen en -praktijken ten tijde van deze beeldenstormen.

Oorzaken[bewerken]

In de periode direct na het Tweede Vaticaans Concilie (in de tweede helft van de jaren 1960) ontstond er in de Nederlandse kerkprovincie een euforische stemming, gepaard aan een radicale vernieuwingsdrang. Daarbij werden de besluiten van het concilie aan de kant geschoven, omdat deze niet ver genoeg zouden gaan. Omdat de conciliedocumenten jarenlang onvertaald gebleven zijn, kon er ook geen brede open discussie over die documenten en hun bedoeling plaatsvinden.

Gevolgen[bewerken]

Immateriële cultuur[bewerken]

Weldra werden talloze wijzigingen ingevoerd. De oude Latijnse kerktaal werd praktisch afgeschaft, want de heilige mis "moest begrijpelijk zijn voor alle gelovigen". Wanneer bleek dat de mis in de volkstaal vanwege moeilijk te doorgronden theologische begrippen evenmin begrijpelijk was, werden er nieuwe, 'duidelijkere' gebeden geschreven. Bijbellezingen in de liturgie werden soms vervangen door alternatieve, 'duidelijkere' verhalen. Talloze lokale experimentele liturgische werkgroepen schoten uit de grond. Priesters begonnen gebeden en Bijbelse vertalingen te gebruiken die niet door de bisschoppen waren goedgekeurd en maakten zo het gebruik van het volksmissaal onmogelijk. In de praktijk kwam het erop neer dat de liturgie werd ontdaan van zijn middeleeuwse en post-Tridentijnse geschiedenis.

Op het gebied van de immateriële cultuur kwam de tweede beeldenstorm tot uiting door het afstand nemen van de soms meer dan vijftienhonderd jaar oude heilige teksten en gezangen. Het sacrament van de biecht, de eucharistische aanbidding en het rozenkransgebed werden vaak overbodig geacht en achterwege gelaten. Het gebruik van catechismussen, zoals de Schoolkatechismus, werd op vele plaatsen gestopt. Volksdevoties werden onvoldoende intellectueel geacht en daarom onderdrukt en, voor zover zij door de geestelijkheid werden gecontroleerd, afgeschaft. In vele kerkgebouwen werden de traditionele, als zoetelijk beschouwde elementen zoals de heiligenbeelden verwijderd, vooral uit de periode tussen ± 1800-1940. Sommige priesters, kloosterlingen en zusters begonnen burgerkledij te dragen en werden daardoor onherkenbaar. In sommige kloostergemeenschappen liet men het gebruik van een kloosternaam achterwege. Processies gingen niet meer uit en het Gregoriaans, de kenmerkende kerkzang van de Latijnse Kerk, raakte binnen korte tijd bijna geheel uit de gratie. Ervoor in de plaats kwamen strofische gezangen in de volkstaal, waarbij de werken van Huub Oosterhuis op muziek van Bernard Huijbers veel gebruikt werden. Hier en daar werd er geëxperimenteerd met zogenaamde 'beatmissen'. De boodschap van de Kerk werd vooral als een sociale boodschap begrepen en de individuele transcendente Godservaring werd naar de achtergrond gedreven.

Materiële cultuur[bewerken]

Heiligenbeelden, knielstoelen, knielbanken, altaren, tabernakels, koorhekken, communiebanken, preekstoelen, relikwieën en ex voto's werden weggegooid, afgebroken, verbrand, begraven of aan de antiekhandel verkocht. Allerlei neogotisch houtsnij- en beeldhouwwerk werd verwijderd of versoberd door het bijvoorbeeld te logen of te overschilderen in een egale kleur. Niet-zelden is bij deze vernieuwingsplannen ook middeleeuws houtsnij- en beeldhouwwerk vernietigd, afkomstig uit het bezit van hele familiegeneraties van rooms-katholieken die het van vernietiging gered hadden tijdens de eerste beeldenstorm in de 16de eeuw. Deze kunstobjecten waren meestal om niet beschikbaar gesteld aan pas ingerichte neo-gotische of neo-romaanse kerkinterieurs.

Soms werden polychrome muur- en gewelfschilderingen bedekt onder lagen witkalk. Gebrandschilderde glasramen werden door blank glas of eigentijdse abstracte composities vervangen. Veelkleurige vloeren werden uitgebroken om plaats te maken voor een egale vloerbedekking. Vele negentiende-eeuwse kerken werden gesloopt. Sommige katholieke kerken kregen in diezelfde periode te maken met een sterke terugval van het kerkbezoek en de financiële middelen en deden om die reden afstand van kerkgebouwen of soms alleen van de originele inventaris.

Het einde van de tweede beeldenstorm[bewerken]

Begin 21e eeuw is deze polarisatie aan het afnemen. Het herstellen van de tradities van vóór de tweede beeldenstorm, vooral in gang gezet door jonge priesters (zoals destijds trouwens ook de tweede beeldenstorm zelf) wordt wel "restauratie" genoemd.

Verspreiding[bewerken]

De 'tweede beeldenstorm' beperkte zich aanvankelijk grotendeels tot Nederland. Maar ook Frankrijk deed een dergelijke ontwikkeling zich voor, zij het niet zo totaal als Nederland. In latere perioden, voornamelijk de jaren zeventig, traden soortgelijke golven van vernieuwing op in de kerkprovincies in Vlaanderen en andere delen van Europa en Noord-Amerika, gevolgd door Afrika en Azië.