Vernietiging van de mensheid door Hathor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De vernietiging van de mensheid door Hathor is een verhaal uit de de Egyptische mythologie. Het wordt beschreven in het graf van Seti I in de vorm van een afbeelding van de Koe des Hemels.

Ra was al lange tijd koning en werd oud. Onder de mensen ontstond daarover gemopper en zelfs godslastering. Er waren mensen die beweerden dat zijn botten maar van zilver, zijn lichaam van goud en zijn haar van lapis lazuli was. Ra vond dat het zo niet langer ging en riep alle goden bijeen die met hem in het oerheelal Nu geweest waren. Hij confronteerde hen met het feit dat de mensheid (remet) die uit zijn tranen (remut) ontstaan was, nu tegen hem in opstand kwam. De goden gaven hem de raad zijn Oog uit te sturen om de boosdoeners te straffen. Immers, niemand kon zijn Oog weerstaan, vooral als het de vorm van de godin Hathor aannam. Hathor werd er op uitgestuurd in de vorm van Sechmet, de leeuwengodin van de oorlog. Overal waar zij ging volgde een vreselijk bloedbad. De slachting begon in Henen-nesoet (Herakleopolis) en spoedig waadde Hathor in het mensenbloed.

Na een tijdje kreeg Ra medelijden met de mensheid en verzon een list om een einde aan de wraakzucht van Hathor te maken. Hij stuurde de goden naar Aboe (Elephantine) om een grote hoeveelheid alruin-vruchten te halen. De godin Sekti kreeg opdracht ze fijn te malen en ze met het mensenbloed te mengen. Verder moesten de slaven een grote hoeveelheid bier brouwen. Toen het mengsel klaar was werd het uitgegoten over de Weide van de Vier Hemelen. Hathor dronk ervan en werd zo dronken dat ze haar wraakzucht vergat.

Later kreeg Ra toch weer spijt dat hij de mensen gered had, maar de andere goden probeerden hem op andere gedachten te brengen. Ra klaagde dat hij de wereld moe was. De oergod Noen gaf Noet de opdracht om Ra op haar rug te dragen, zij veranderde zich in een koe en Sjoe hielp Ra haar te bestijgen. Toen de mensen echter beseften dat Ra op het punt stond hen te verlaten op de rug van de hemelkoe, kregen sommigen spijt en toonden berouw voor hun zonden. Uiteindelijk doodden zij de lasteraars in hun midden. Ra was hier verheugd over en sinds die tijd werden er mensenoffers gebracht in de tempels van Ra.

Toch verliet Ra de aarde, maar hij bereidde in de hemel een plaats voor waar allen hem konden volgen. Deze plaats, het hemelse Veld der Vrede had een speciaal onderdeel, het Rietveld. In Egypte werd dat gezien als het heerlijkste deel van de hemel waarnaar men streefde. Ter versiering schiep Ra ook de sterren, de bloemen van de hemel. Noet echter begon bijzonder vermoeid te raken. Zij dreigde te bezwijken onder het gewicht van Ra en neer te storten op de aarde. Dat zou voor de mensheid verschrikkelijke gevolgen hebben. Daarom schiep Ra de Vier Hemelpilaren waarop zij kon rusten. Hij gaf ook aan Sjoe de opdracht om zijn taak als zonnegod over te nemen. Ra liet het bestuur van de aarde aan Thoth na en gaf hem vele machtige toverspreuken om de mensheid te beschermen tegen alle slangenbeten en gevaarlijke beesten. Hij gaf aan Geb de uraeuscobra, het teken van koningschap. Nu kon de mensheid veilig onder de hemelkoe leven en zich verheugen in het licht van de zon.