Alruin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alruin
Mandragore officinale fruits.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Lamiiden
Orde: Solanales
Familie: Solanaceae (Nachtschadefamilie)
Geslacht: Mandragora
soort
Mandragora officinarum
L. (1753)
Duda.JPG
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De alruin (Mandragora officinarum) is een overblijvende plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae). De soortaanduiding officinarum betekent dat de plant tijdens haar naamgeving op lijsten van planten met geneeskrachtige eigenschappen voorkwam. De plant wordt nu niet meer als zodanig gebruikt.

Etymologie[bewerken]

De precieze etymologie is complex en omstreden. De Nederlandse naam alruin is mogelijk afgeleid van die van een 11e-eeuwse filosoof, astroloog, reiziger, historicus en drogist genaamd Al-Biruni. De Arabische naam 'luffâh' of 'beid el-jinn' betekent 'ei van de geest'.

Er worden ook andere etymologische verklaringen gegeven; de naam alruin zou ontleend zijn aan het Hebreeuwse 'dud' of 'dudaim'. 'Dud' zou in het Hebreeuws 'liefdesplant' betekenen, wat verwijst naar het bijbelverhaal waarmee Lea met behulp van deze plant haar man Jacob wist terug te winnen.[1].

Botanische beschrijving[bewerken]

De peterselie-achtige, grote, bruine penwortel is vaak vertakt of gevorkt en dringt diep in de grond door. Boven de grond ontspruit hieruit een bladrozet van ovale, ingesneden bladeren van 15 centimeter breed en 40 centimeter lang. Deze bladeren staan in het begin rechtop; later spreiden ze zich plat uit.

De plant draagt groen-witte of lichtblauwe, 5 centimeter grote, klokvormige bloemen op afzonderlijke stelen. De bloeiperiode valt in de periode maart tot april. Uit deze bloemen ontstaan in het late voorjaar oranje tot rode bessen, die enigszins op tomaten lijken.

De plant sterft in het najaar af. De ondergrondse wortels overleven de winter en lopen in het voorjaar opnieuw uit.

Voorkomen[bewerken]

De alruin komt van nature voor in Zuid- en Midden-Europa en in het Middellandse Zeegebied, waar zij onder andere op Corsica kan worden aangetroffen.

Medicinaal en ander gebruik[bewerken]

De wortel

De alruinwortel bevat giftige alkaloïden (scopolamine, atropine, apoatropine, hyoscyamine, cuskhydrine, solandrine, mandragorine en andere hallucinogene tropaanalkaloïden). De plant werd vroeger als narcoticum en pijnstiller, en deels ook als hallucinogeen middel gebruikt, onder meer in heksenzalf. Mandragorus, van het Hebreeuwse dud‘ (=liefdesplant) werd in de Oriënt beschouwd als middel om conceptie te verzekeren.

Anesthesie[bewerken]

Dioscorides verwijst naar het gebruik van de plant bij het verdoven van patiënten die gesneden of verbrand zijn. Plinius de Oudere refereert aan de geur van de alruin als slaapverwekkend wanneer ze genomen werd voordat een insnede werd toegepast. Lucianus van Samosata spreekt over het gebruik van de plant voordat het brandijzer werd gebruikt. Claudius Galenus noemt de plant in het voorbijgaan in verband met haar macht om gevoel en bewegingen te verlammen. Isidorus van Sevilla zou gezegd hebben: "De wijn in de bast van de wortel wordt gegeven aan hen die een operatie ondergaan zullen opdat ze geen pijn zullen voelen in hun slaap."

Ugone da Lucca ontdekte in de 12e eeuw een stof die, wanneer ingeademd, de patiënten in slaap brengt zodat zij tijdens een operatie geen pijn voelen; het is bekend dat hij hiermee de alruin bedoelde.

Reeds in 1830 gebruikte de Japanse arts Seishu Hanaoka een verdovend extract uit de Mandragora in de heelkunde. Ernst Schmidt ontdekte in 1888 het scopolamine in de alruin.

Heksenkruid[bewerken]

Door de hallucinogene effecten speelt de plant een belangrijke rol in magie en hekserij. Alruin is een heksenkruid en is een veelgebruikt bestanddeel van allerlei heksendrankjes en heksenzalf. Er werd grote toverkracht aan toegeschreven.

Cultuurgeschiedenis van alruin[bewerken]

Doordat de wortel van de alruin veel vertakkingen heeft, vertoont die met een beetje fantasie vaak gelijkenis met een menselijk lichaam. De Griekse wijsgeer Pythagoras beschreef de wortel al als een 'miniatuurmensje'. Door deze gelijkenis geloofde men in de middeleeuwen (volgens de signatuurleer) dat de wortel bovennatuurlijke macht had over de menselijke geest en het lichaam.

Christenen zagen in de wortel een probeersel van de mens van God. Een op de mens lijkende wortel van de alruin werd in de middeleeuwen als wondermiddel beschouwd. Het zou de vruchtbaarheid kunnen bevorderen en magische krachten bezitten. Ook werd de wortel van de heggenrank vaak als alruin verkocht.

De wortels van de alruin werden vaak door mensen bewerkt en besneden zodat zij nog meer op een menselijke gestalte gingen lijken. Het bedrog was bijzonder lucratief[2].

Alruin in oude verhalen[bewerken]

Al vroeg was men buitengewoon voorzichtig om alruin uit de grond te trekken. Theophrastus schreef er in de derde eeuw voor Christus over dat verzamelaars van deze plant er eerst cirkels omheen trokken en dan de top eraf sneden terwijl ze naar het westen keken. De rest van de wortel werd dan geoogst na het zeggen van speciale formules en het dansen van bepaalde dansen.

Later gebruikte men honden voor het oogsten van de wortel, want men geloofde dat de ijzingwekkende schreeuw die daarbij zou klinken een mens het leven kon kosten. Men stopte dan zelf de oren dicht met bijenwas, zodat de dodelijke schreeuw niet te horen was. De plant diende nergens direct aangeraakt te worden: dit zou ook de dood tot gevolg hebben. De hond moest dan diepzwart zijn, de kleur van het kwade en de dood. Behalve de hond werden dan een stuk vlees, een stuk touw en een zilveren schop meegebracht naar de plant. De grond om de plant werd weggeschept, zodat de wortel bloot kwam te liggen. Dan bond men het touw aan de plant vast, en aan de hond. De hongerige hond werd dan gelokt met het stuk vlees, zodat het dier aan het touw trok en daardoor de plant uit de aarde haalde. De hond zou dan doodvallen door de schreeuw van de plant, maar de plantentrekker zou in leven blijven door de bijenwas in zijn oren.

Volgens het volksgeloof groeide de plant alleen op plaatsen waar ooit een galg had gestaan en groeide ze op het lijkvocht, de urine en het zaad van een (onschuldige) gehangene. Vandaar dat in Duitsland de plant ook "galgenmannetje" werd genoemd.

Bijbelse plant[bewerken]

Alle uitleggers beschouwen Mandragora officinarum als de plant bedoeld in Gen 30:14 (liefdesappelen), en Hooglied 7:14[bron?]. Er zijn veel andere planten hiervoor gesuggereerd, zoals bramen, Zizyphus lotus, het sidr van de Arabieren, de banaan, de lelie, de citroen en de vijg, maar geen hiervan wordt door bevredigend bewijs ondersteund.

Galerij[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Algemeen

  • Richard Evans Schultes en Albert Hofmann - Over de planten der Goden. Oorsprong van het gebruik van hallucinogenen. 1983. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen. Eerste druk.

In de tekst

  1. De 'dudaim' wordt genoemd in de Bijbelboeken Genesis 30:14; 30:15; 30:16; Hooglied 7:13; Jeremia 24:1), allen deel van het Oude Testament
  2. Keizer Rudolf II betaalde ooit 100 thaler voor een dergelijke antropomorfe wortel. Zie [1]