Vijftigers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met de Vijftigers wordt een literaire beweging in Nederland en België aangeduid. Aan het eind van de jaren ’40 liet een nieuwe groep jonge dichters van zich horen.

Achtergrond[bewerken]

De Vijftigers verzetten zich tegen de kunstopvattingen van hun voorgangers. Er is een lyriek die wij afschaffen, zoals ze dat stelden. Het gaat hier om de dichters Lucebert, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar. Zij waren wat eerder betrokken geraakt bij een groep jonge Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars, die zich Cobra noemde, Copenhagen, Brussel, Amsterdam. Volgens deze Cobra-kunstenaars – onder hen Karel Appel, Corneille en Constant – kon echte ‘vitale’ kunst alleen gemaakt worden door werkelijk vrije mensen. Alles wat die vrijheid in de weg stond, moest worden bestreden. Esthetische conventies waren bij uitstek zaken die vrijheidsbelemmerend werkten en daarom moest de kunst weer rechtstreeks kunnen ontstaan vanuit haar oerbronnen: spontaniteit en directheid waren belangrijk. Voorbeelden van onmiddellijke expressie, niet gehinderd door allerlei esthetische ‘lagen eroverheen’, vonden zij vooral in kindertekeningen en in Afrikaanse volkskunst. Hun poëzie kan worden gezien als een tegenreactie op de veel zakelijkere poésie parlante uit de jaren 1930.

De dichters van de Beweging van Vijftig zoeken heel sterk de uitdrukking van de totale mens, dus zowel gevoel als verstand. Ze gingen daarom in tegen de ratio die de werkelijkheid opdeelt in categorieën, die verdeelt en scheidt. Zij zoeken het – misschien om die reden – in hun kunst vaak in lichamelijke beelden, eten, spijsvertering. Als alternatief voor het verstand zijn voor hen de zintuigen. Op zich ageren ze niet tegen het weten, maar streven wel naar een andere soort weten, waarbij ervaring centraal staat: 'Denken met tong en handen' zoals Jan G. Elburg het verwoordde.

Tegelijk hadden zij een afkeer van wat zij ‘gekunsteld’ zouden noemen. Zij voelden zich aangetrokken tot het spontane zoals dat ook in het surrealisme bestaat. Die drang tot onbelemmerde uiting, vrij van allerlei beperkingen van vorm, leidde er bij hen toe dat zij heel veel typische vormaspecten loslaten. Zij gebruiken, net als de expressionisten, bijna geen rijm (althans geen eindrijm), geen regelmatige versvormen en ook laten zij vaak interpunctie (punten, komma's en andere leestekens) en hoofdletters achterwege in hun gedichten. Vaak weet je niet waar de ene zin ophoudt en waar de volgende begint. Zo worden zinnen vaak voor meerdere uitleg vatbaar. Hiermee wilden zij de invloed van het logisch denken verkleinen. Deze vorm van dichten werd ook wel ‘experimenteel’, ‘experimentele poëzie’ of ‘vrije poëzie' genoemd en de Vijftigers staan derhalve eveneens bekend als de Experimentelen.

De Vijftigers ondernamen soms ook dadaïstische activiteiten. Zo kleedde Lucebert zich als een keizer, toen hij in 1954 de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam in ontvangst ging nemen.

Ontvangst[bewerken]

De Vijftigers-poëzie viel niet bij iedereen in even goede aarde, omdat men het vaak als pure wartaal zag. Het gedicht Oote van Jan Hanlo werd door de Eerste Kamer als "infantiel gebazel" en "decadent" bestempeld. Bertus Aafjes schreef in het toenmalige Elseviers Weekblad een artikel getiteld: SS de poëzie binnen gemarcheerd? Sterk vergelijkbaar hiermee had Hollands "volksschrijver" Gerard Kornelis van het Reve (Gerard Reve) al zijn duit in het zakje gedaan door het "woordkakkerij" te noemen.

Leden[bewerken]

Tot de beweging van vijftig kunnen worden gerekend:

Poëzie[bewerken]


De poëzie van Leo Vroman vormt een overgang tussen de oudere, zakelijke poëzie en de experimentele poëzie.

Proza[bewerken]

Secundaire literatuur[bewerken]

  • Hugo Brems, Lichamelijkheid in de experimentele poëzie. Bijdrage tot de karakterisering en de literair-historische situering van de moderne Nederlandse poëzie 1950-1960, Hasselt, 1976.
  • R.L.K. Fokkema, Het komplot der Vijftigers. Een literair-historische documentaire, Amsterdam, 1979.
  • Willemijn Stokvis, Cobra. Geschiedenis, voorspel en betekenis van een beweging in de kunst van na de tweede wereldoorlog, Amsterdam, 1974.
  • Dautzenberg, J.A., Literatuur, geschiedenis en leesdossier, Den Bosch, 1999.
  • Bormans Peter, "Ik hoop dat ik stoor" De Poëzie van Jan G. Elburg (1919-1992) Studies op het gebied van de moderne Nederlandse literatuur nr. 7, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, ISBN 9789072474575

Externe links[bewerken]