Wenceslaus II van Bohemen (koning)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wenceslaus II van Bohemen
1271-1305
WaclawII.jpg
Koning van Bohemen
Periode 1278-1305
Voorganger Ottokar II
Opvolger Wenceslaus III
Groothertog en koning van Polen
Periode 1e: 1291-1295
2e: 1296-1305
Voorganger 1e: Przemysł II
2e: Przemysł II
Opvolger 1e: Przemysł II
2e: Wenceslaus III
Vader Ottokar II van Bohemen
Moeder Cunigonde van Slavonië

Wenceslaus II van Bohemen (Praag, 27 september 1271 - aldaar, 21 juni 1305) was van 1278 tot 1305 koning van Bohemen en van 1290 tot 1291 en van 1296 tot 1300 groothertog en van 1300 tot 1305 koning van Polen. Hij behoorde tot het huis Přemysliden.

Levensloop[bewerken]

Hij was de enige zoon van koning Ottokar II van Bohemen en diens tweede gemalin Cunigonde van Slavonië, dochter van heer Rostislav van Slavonië.

Zijn vader, die ook het hertogdom Oostenrijk in handen had, had een conflict met Rooms-Duits koning Rudolf I van Habsburg en werd daarom in 1276 in de rijksban gedaan. Ook belegerde Rudolf Wenen, waarna Ottokar in november 1276 gedwongen werd om een verdrag te ondertekenen waarin hij zijn claims op Oostenrijk en de naburige hertogdommen moest afstaan. Ook werd Wenceslaus uitgehuwelijkt aan de dochter van Rudolf I, Judith, met wie hij in 1285 zou huwen. De vrede hield echter niet lang stand en zijn vader begon een oorlog tegen Rudolf I. In de beslissende veldslag, de slag bij Dürnkrut op 26 augustus 1278, werd zijn vader verslagen en kwam hij ook om het leven.

Wenceslaus was nog minderjarig bij het overlijden van zijn vader en kon daarom nog niet zelfstandig regeren. Daarom werd het bestuur voorlopig uitgeoefend door markgraaf Otto V van Brandenburg, die - zo wordt gezegd - Wenceslaus op verschillende locaties gevangenhield. In 1283 keerde Wenceslaus II terug naar Bohemen, waarna de tweede echtgenoot van zijn moeder, de Boheemse magnaat Záviš van Falkenstein, enkele jaren voor hem regeerde. Zijn stiefvader bleef echter de Boheemse politiek domineren en uiteindelijk liet Wenceslaus II hem in 1289 vervolgen voor landverraad. Uiteindelijk werd Záviš ter dood veroordeeld en in 1290 onthoofd, waarmee de zelfstandige regeerperiode van Wenceslaus begon.

In 1291 trok Wenceslaus II naar Krakau om het groothertogdom Polen te veroveren op groothertog Przemysł II. Przemysł bleef echter zijn andere Poolse hertogdommen behouden en kon uiteindelijk in 1295 het groothertogdom Polen heroveren, waarna hij tot koning van Polen werd gekroond. Toen Przemysł in 1296 stierf, bemachtigde Wenceslaus II opnieuw het groothertogdom Polen en in 1300 liet Wenceslaus zich ook tot koning van Polen kronen.

In 1298 werd in de Centraal-Boheemse stad Kutná Hora zilver ontdekt. Wenceslaus nam de controle van de stadsmijn over door van de zilverproductie een koninklijke monopolie te maken en introduceerde de Praagse groot, de meeste populaire van de vroege munten van het groot-type. De stad Kutná Hora werd de grootste zilverproducent ooit in Europa: tussen 1300 en 1340 produceerde ze namelijk 20.000 kilo zilver per jaar. In 1300 stelde Wenceslaus II een wettig document op dat alle administratieve en technische termen verduidelijkte en waarin hij de condities die nodig waren voor de mijnoperaties vermeldde.

In 1301 overleed koning Andreas III van Hongarije (een bloedverwant van Wenceslaus II) zonder nakomelingen, waarmee het huis Árpáden in mannelijke lijn uitstierf. Als bloedverwant eiste Wenceslaus II het koninkrijk op, maar op verzoek van de Hongaren ging het koninkrijk naar zijn zoon Wenceslaus III, die aan Andreas' dochter Elisabeth werd uitgehuwelijkt. Op 27 augustus 1301 werd zijn zoon in Székesfehérvár onder de naam Ladislaus V tot koning van Hongarije gekroond.

In deze periode was het koninkrijk Hongarije in heel wat aparte vorstendommen opgebouwd en zijn zoon werd maar door een klein deel van de Hongaarse adel geaccepteerd. De rest van de adel steunde Karel Robert van Anjou, de belangrijkste rivaal van Wenceslaus III. Nadat in 1303 een deel van zijn aanhangers hem de rug toekeerden en de kant van Karel Robert van Anjou kozen, smeekte Wenceslaus III zijn vader om hulp. Wenceslaus II trok daarop met een groot leger naar Hongarije en nadat hij de situatie onder controle had gekregen, keerde hij in 1304 met zijn zoon terug naar Bohemen en werd er in Hongarije een vertegenwoordiger aangeduid die in zijn naam van zijn zoon moest regeren.

In juni 1305 stierf Wenceslaus II op slechts 33-jarige leeftijd, waarschijnlijk aan de gevolgen van tuberculose. Hij werd beschouwd als een van de belangrijkste koningen van Bohemen en onder zijn bewind was er een grote stedelijke ontwikkelingen. Hij richtte ook verschillende steden op en hij had plannen om de eerste universiteit in Centraal-Europa te stichten. De macht en de welvaart van het koninkrijk Bohemen zorgde ervoor dat hij het respect, maar soms ook de vijandigheid van de andere Europese koninklijke families. Zijn zoon Wenceslaus III was echter niet in staat om dit te handhaven en zijn rijk begon hierdoor te verbrokkelen.

Huwelijk en nakomelingen[bewerken]

Op 24 januari 1285 huwde hij in Eger met Judith van Habsburg (1271-1297). Ze kregen volgende kinderen:

Nadat zijn eerste vrouw in het kraambed was overleden, hertrouwde Wenceslaus II in 1300 met Elisabeth Richezza van Polen (1286-1335), dochter van groothertog en koning Przemysł II van Polen. Ze kregen een dochter:

Ook had hij enkele buitenechtelijke kinderen, waaronder bisschop Jan Volek van Olomouc.