Naar inhoud springen

Xenacoelomorpha

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Xenacoelomorpha
Proporidae (familie uit Xenacoelomorpha)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Onderrijk:Eumetazoa (Orgaandieren)
Clade:Bilateria
Stam
Xenacoelomorpha
Philippe et al., 2011
Onderstammen
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Xenacoelomorpha op Wikispecies Wikispecies
(en) World Register of Marine Species
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Xenacoelomorpha is een stam van eenvoudige ongewervelde dieren. De meeste soorten leven in zee, vaak op de zeebodem of tussen de zandkorrels (interstitiëel). De stam omvat voornamelijk microscopisch kleine wormachtigen; de dieren worden vaak niet groter dan 1 millimeter. Enkele soorten, zoals die van het geslacht Xenoturbella, kunnen echter tot wel twintig centimeter groot worden.

Opvallend bij alle soorten is het ontbreken van diverse gespecialiseerde orgaansystemen die wel bij andere tweezijdig symmetrische dieren voorkomen. De dieren hebben ook geen lichaamsholte (coeloom), net als platwormen, een andere dierenstam waar ze uiterlijk enigszins op lijken.

De stam werd in 2011 voorgesteld op basis van moleculair-fylogenetisch onderzoek, waaruit bleek dat Acoela, Nemertodermatida en Xenoturbellida een monofyletische groep vormen.[1] Hoewel het duidelijk tweezijdig (bilateraal) symmetrische dieren zijn, is hun plaats binnen de Bilateria nog niet definitief vastgesteld. Vermoedelijk zijn Xenacoelomorpha een zustergroep van de Nephrozoa, of met andere woorden, de meest basale vertegenwoordigers van de Bilateria.[2]

Algemeen bouwplan

[bewerken | brontekst bewerken]
Xenoturbella japonica (holotype)

Xenacoelomorpha zijn tweezijdig symmetrische, triploblastische ongewervelden met een zacht, afgeplat en wormvormig lichaam. Afhankelijk van de soort varieert de lichaamslengte van minder dan 1 millimeter tot meer dan 20 centimeter. Het lichaam is acoelomaat: de lichaamsholte (coeloom) ontbreekt. Ook bezitten zij geen bloedvatenstelsel, ademhalingsorganen of uitscheidingsorganen.

De epidermis is bij alle soorten bedekt met trilharen (cilia), die worden gebruikt voor de voortbeweging. De trilharen hebben een karakteristieke inwendige structuur met een specifiek patroon van microtubuli.

Spijsverteringskanaal

[bewerken | brontekst bewerken]

De bouw van het spijsverteringsstelsel verschilt tussen de hoofdgroepen. Bij de Acoela leidt de mondopening uit in een groot endodermaal syncytium, waarin de vertering plaatsvindt; een echt darmkanaal ontbreekt. Nemertodermatida en Xenoturbellida bezitten een eenvoudige, zakvormige darm zonder anus.[3] De darmwand bevat over het algemeen geen cilia.

Een opvallend kenmerk van Xenacoelomorpha is dat het spijsverteringsstelsel geen eigen zenuwcellen (enterisch zenuwstelsel) bezit, terwijl een dergelijk zenuwstelsel wel bij andere Bilateria en zelfs bij de primitievere neteldieren voorkomt.[3] Hierdoor vermoedt men dat het ontbreken van dit kenmerk een secundaire ontwikkeling is.

Xenacoelomorpha leven voornamelijk in zee, waar zij op of in de zeebodem voorkomen. Enkele soorten leven in brak water. Ze zijn aangetroffen vanaf ondiepe kustwateren tot diepten van bijna 4 kilometer, onder andere in de omgeving van hydrothermale bronnen. De meeste soorten zijn vrijlevend, maar er zijn ook symbiotische en parasitaire soorten. Verschillende Acoela leven in symbiose met fotosynthetische algen, die een deel van hun energievoorziening verzorgen.

Men was voor een lange tijd niet zeker van de plaats van Xenacoelomorpha in het dierenrijk. Sommige wetenschappers formuleerde dat deze een zustergroep was van alle overblijvende Bilateria (ook wel Nephrozoa)[4][5], terwijl anderen zeiden dat het een groep was in de Deuterostomata.[6] Nu is het dus met zekerheid een zustergroep van de Nephrozoa.